ECLI:NL:OGEAA:2016:875

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
6 december 2016
Publicatiedatum
6 januari 2017
Zaaknummer
EJ nr. 1923 van 2016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:406 BWA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie bijdrage vader voor twee minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek van de Voogdijraad tot vaststelling van kinderalimentatie door de vader ten behoeve van zijn twee minderjarige kinderen geboren in 1999 en 2005. De procedure omvatte een mondelinge behandeling waarbij zowel de vader als de moeder in persoon verschenen, evenals vertegenwoordigers van de Voogdijraad.

De beoordeling richtte zich op de behoefte van de kinderen en de draagkracht van beide ouders. Het gerecht hanteerde een richtbedrag van Afl. 450,- per maand per kind als gemiddelde kosten voor verzorging en opvoeding, inclusief school- en kledingkosten. De moeder stelde de werkelijke kosten op Afl. 1.395,- per maand, welke niet werd betwist.

De draagkracht van de moeder werd vastgesteld op een netto maandinkomen van Afl. 3.236,- minus noodzakelijke lasten van Afl. 2.299,-, resulterend in een overschot van Afl. 937,-. De vader had een netto inkomen van Afl. 6.410,- met een vastgestelde noodzakelijke last van Afl. 1.400,-, waardoor zijn draagkracht op Afl. 5.010,- werd gesteld.

Gezien de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders werd de bijdrage van de vader vastgesteld op Afl. 700,- per maand, verdeeld in Afl. 400,- voor het oudste kind en Afl. 300,- voor het jongste kind, met ingang van 1 september 2016. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en dient vooruitbetaald te worden aan de Voogdijraad.

Uitkomst: De vader wordt veroordeeld tot betaling van een maandelijkse kinderalimentatie van Afl. 700,- vanaf 1 september 2016.

Uitspraak

Beschikking van 6 december 2016
behorend bij EJ nr. 1923 van 2016
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de alimentatiezaak tussen:
DE VOOGDIJRAAD,
kantoorhoudend in Aruba,
VERZOEKER,
vertegenwoordigd,
en:
[de vader],
wonende in Aruba,
VERWEERDER, hierna: de vader,
procederend in persoon.
Belanghebbenden:
[minderjarige 1],
[minderjarige 2],
de minderjarigen,
[de moeder], de moeder.

1.DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift, ingediend op 15 augustus 2016,
  • de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling van 25 oktober 2016, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader in persoon en de moeder in persoon. Namens de Voogdijraad waren aanwezig mr. M. Ras en mevrouw A. Flanders.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.DE FEITEN

Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder zijn in Aruba geboren: [minderjarige 1] op [datum] 1999 en [minderjarige 2] op [datum] 2005.

3.HET VERZOEK

Het verzoek strekt tot het veroordelen van de vader om ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 september 2016 een bedrag van Afl. 400,- per maand te betalen voor [minderjarige 1] en een bedrag van Afl. 300,- per maand voor [minderjarige 2]. Daartoe wordt gesteld dat de vader voldoende draagkrachtig is.

4.DE BEOORDELING

4.1
Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Dit geschiedt naar draagkracht. Artikel 1:406 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BWA) bepaalt, dat in het geval een ouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk nakomt, zowel de Voogdijraad als de andere ouder de rechter kan verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren.
4.2
Bepalend voor de hoogte van de kinderalimentatie is de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van zowel de moeder als de vader. Teneinde ieders draagkracht te bepalen, dienen over en weer de netto-inkomens te worden vastgesteld, alsmede de vaste lasten die in redelijkheid voorrang krijgen boven het betalen van kinderalimentatie.
4.3
De behoefte van de kinderen
4.3.1
Bij het vaststellen van de behoefte van de minderjarige hanteert het gerecht als richtsnoer dat deze voor kinderen in de leeftijd als die van partijen gemiddeld Afl. 450,- per maand bedraagt. Het gerecht is van oordeel dat aangenomen kan worden dat de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen in de leeftijd als die van partijen rond dat bedrag liggen. In dit bedrag zitten begrepen de schoolkosten en de kosten aan kleding, zodat met de door de moeder opgevoerde daadwerkelijke kosten van deze lasten bij de vaststelling van de behoefte niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Dit bedrag kan worden verhoogd indien blijkt van bijzondere uitgaven ten behoeve van de kinderen die niet zijn begrepen in genoemd bedrag van Afl. 450,- (zoals noodzakelijke kosten voor buitengewone vervoerkosten en bijles).
4.3.2
De moeder heeft de kosten van de minderjarigen bepaald op Afl. 1.395,-. De vader heeft deze kosten niet weersproken, zodat het gerecht ervan uit zal gaan dat de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen maandelijks Afl. 1.395,- bedragen.
4.4
De draagkracht van de moeder
4.4.1
Blijkens de door de moeder overgelegde salarisslips bedraagt haar salaris netto gemiddeld afgerond ca Afl. 1.886,- per maand, vermeerderd met het gemiddelde bedrag van Afl. 1.350,- per maand (andere inkomsten), voor een totaal gemiddeld maandinkomen van Afl. 3.236,-.
4.4.2
Bij de vaststelling van de draagkracht van de moeder gaat het gerecht er vanuit dat zij, exclusief de kosten van de hypotheek, een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in haar eigen bestaan te voorzien. In dit bedrag zitten onder andere begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoon/internet/cable aansluiting en van autogebruik, zodat met de door de moeder opgevoerde daadwerkelijke kosten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Het gerecht zal verder rekening houden met de (onbetwiste) posten “hypotheek” ad Afl. 899,-. De overige (niet betwiste) opgevoerde lasten wordt de moeder geacht te betalen uit voornoemd forfaitair in aanmerking te nemen bedrag van Afl. 1.400,-.
De totale in aanmerking te nemen (noodzakelijke) vaste lasten van de moeder bedragen, gelet op het vorenstaande, totaal afgerond Afl. 2.299,-.
4.4.3
Uit het vorenstaande volgt dat de moeder maandelijks een bedrag overhoudt van (Afl. 3.236,- minus Afl. 2.299,-) ca. Afl. 937,-, waarmee zij aan haar verplichting met betrekking tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen.
4.5
De draagkracht van de vader
4.5.1
Blijkens de door de vader overgelegde salarisslips bedraagt zijn salaris netto gemiddeld afgerond ca Afl. 6.410,- per maand.
4.5.2
Bij de vaststelling van de draagkracht van de vader gaat het gerecht er vanuit dat hij een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in zijn eigen bestaan te voorzien. In dit bedrag zitten begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoonaansluiting en van autogebruik, zodat met de door de vader opgevoerde daadwerkelijke kosten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Met de andere door de man opgevoerde lasten houdt het gerecht geen rekening, omdat niet is gebleken dat deze kosten prioriteit genieten boven zijn verplichting te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
4.5.3
Uit het vorenstaande volgt dat de vader maandelijks een bedrag overhoudt van (Afl. 6.410,- minus Afl. 1.400,-) ca. Afl. 5.010, waarmee hij aan zijn verplichting met betrekking tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding dient te voldoen.
4.6
Gelet op de draagkracht van partijen en op de behoefte van de minderjarigen acht het gerecht een door de vader te betalen bijdrage van Afl. 700,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van beide minderjarigen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De ingangsdatum van de bijdrage zal worden bepaald op 1 september 2016.

5.DE BESLISSING

Het gerecht:
bepaalt de bijdrage van [de vader] in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [datum] 1999 in Aruba, op Afl. 400,- per maand, en van de minderjarige [minderjarige 2], geboren op [datum] 2005 in Aruba, op Afl. 300,- per maand, met ingang van 1 september 2016, en in de toekomst telkens bij vooruitbetaling aan de Voogdijraad te voldoen,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap, rechter in dit gerecht, ter zitting van 6 december 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.