Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Bewijsbeslissingen
Vrijspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Op 1 november 2016 vond de openbare terechtzitting plaats tegen verdachte, die werd beschuldigd van het medeplegen van het invoeren, vervoeren en bezit van cocaïne op Aruba. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van acht jaar. Verdachte verklaarde dat hij onwetend was over de aanwezigheid van cocaïne aan boord van de boot Santa Maria, waaruit pakketten cocaïne overboord werden gegooid.
Het gerecht beoordeelde het bewijs, waaronder het proces-verbaal van de kustwacht en foto’s, en concludeerde dat deze onvoldoende waren om te bewijzen dat verdachte nauwe en bewuste samenwerking had met medeverdachten. De Hoge Raad had in een eerder arrest benadrukt dat voor medeplegen sprake moet zijn van een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht en nauwe samenwerking.
Verdachte had bovendien verklaard dat hij betaald had om naar Curaçao te worden gebracht om daar illegaal te werken, hetgeen niet werd weersproken door het dossier. De rechter achtte het zelf onbewust zijn van de aanwezigheid van cocaïne onvoldoende om medeplegen vast te stellen. De positie van verdachte werd gezien als die van een passagier, verschillend van de bemanning.
Het gerecht sprak verdachte vrij en beval onmiddellijke invrijheidstelling, waarmee het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. Het vonnis werd uitgesproken op 22 november 2016 door rechter P.A.H. Lemaire.
Uitkomst: Verdachte werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medeplegen en onwetendheid over aanwezigheid van cocaïne aan boord.