ECLI:NL:OGEAA:2017:138

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
1 maart 2017
Publicatiedatum
6 maart 2017
Zaaknummer
A.R. 2714 van 2015
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering bank tot betaling hoofdsom, incassokosten en rente na niet-nakoming kredietovereenkomst

De bank heeft een vordering ingesteld tegen gedaagde wegens niet-nakoming van een kredietovereenkomst en een studentenrekening met geoorloofde roodstand. Gedaagde heeft nagelaten de maandelijkse aflossingen te voldoen en de roodstand aan te zuiveren.

De bank vordert betaling van een hoofdsom van €4.210,92, incassokosten van €631,64 en rente. Gedaagde betwist de gevorderde wettelijke rente omdat hij stelt nooit een aanmaning te hebben ontvangen.

Het gerecht overweegt dat de bank onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de aanmaningen gedaagde daadwerkelijk hebben bereikt. Op grond van de verzendtheorie wordt de rente toegekend vanaf de datum van betekening van het deurwaardersexploot, 30 december 2015. De hoofdsom en incassokosten worden toegewezen, evenals de proceskosten aan de zijde van de bank.

De rechter veroordeelt gedaagde tot betaling van de hoofdsom, de contractuele rente vanaf 30 december 2015, de incassokosten en de proceskosten. De vordering wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van hoofdsom, incassokosten en contractuele rente vanaf datum betekening deurwaardersexploot.

Uitspraak

Vonnis van 1 maart 2017
Behorend bij A.R. 2714 van 2015
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, Nederland,
domicilie kiezende te Aruba, ten kantore van de gemachtigde,
eiseres, hierna te noemen: de bank
gemachtigde: de advocaat mr. M.W.A. van der Gulik
tegen:
[GEDAAGDE],
wonende te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Dit blijkt uit de navolgende stukken:
  • het verzoekschrift
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek

2.DE FEITEN

2.1
[gedaagde] heeft op 8 september 2003 een kredietovereenkomst gesloten bij de bank tot een maximum van € 2.000,00, met een kredietvergoeding van 11,9% per jaar. [gedaagde] diende dit bedrag af te lossen met een bedrag ad € 40,00 per maand. [gedaagde] heeft dit niet gedaan.
2.2
[gedaagde] heeft tevens een overeenkomst ‘Studentenrekening’ met geoorloofde roodstand gesloten. De roodstand heeft [gedaagde] nimmer aangezuiverd.
2.3
Op beide overeenkomsten zijn de algemene voorwaarden van de bank van toepassing.

3.DE VORDERING EN HET VERWEER

3.1
De bank vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen te betalen aan haar een hoofdsom ad € 4.210,92, vermeerderd met incassokosten ad € 631,64 en rente tot en met 20 september 2015 alsmede de bedongen rente vanaf 10 september 2015, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.
3.2
[gedaagde] voert – samengevat - het volgende verweer.
Hij stelt voorafgaande aan het verzoekschrift nimmer een aanmaning ontvangen te hebben en betwist daarom de gevorderde wettelijke rente.

4.DE BEOORDELING

4.1
De gevorderde hoofdsom heeft [gedaagde] niet betwist, zodat deze toewijsbaar is.
4.2
Wat betreft de gevorderde contractuele rente wordt als volgt overwogen.
De bank heeft [gedaagde] in 2012 aangeschreven op het adres [adres], omdat uit het uittreksel van 6 februari 2012 bleek dat [gedaagde] hier stond ingeschreven. Omdat [gedaagde] niets van zich liet horen heeft de bank wederom het bevolkingsregister geraadpleegd op 6 september 2013 en toen bleek dat [gedaagde] stond ingeschreven op het adres [adres]. De bank heeft [gedaagde] vervolgens op 13 februari 2014 en 21 augustus 2014 op dit adres aangeschreven. [gedaagde] betwist evenwel ooit enige sommatie ontvangen te hebben.
4.3
Op grond van de verzendtheorie dient de bank te bewijzen dat de aanmaningen [gedaagde] hebben bereikt. Nu de bank geen bescheiden heeft overgelegd waaruit volgt dat de aanmaningen [gedaagde] daadwerkelijk hebben bereikt, houdt het gerecht het ervoor dat [gedaagde] pas sinds 30 december 2015 (datum deurwaardersexploot) weet dat de bank aanspraak maakt op de bedongen rente, zodat de vordering vanaf deze datum toewijsbaar is.
4.4
De buitengerechtelijke kosten worden als niet weersproken toegewezen.
4.5
[gedaagde] wordt nu hij in het ongelijk is gesteld, in de kosten van de procedure veroordeeld.

5.DE BESLISSING

De rechter
5.1
veroordeelt [gedaagde] te betalen aan de bank:
- een hoofdsom ad € 4.210,92 vermeerderd met de contractuele rente vanaf 30 december 2015 tot de dag der voldoening;
- de buitengerechtelijke incassokosten ad € 631,64;
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op fl. 450,00 griffierecht, fl. 226,67 deurwaarderskosten en Afl. 1.000,00 voor salaris gemachtigde;
5.3
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch en uitgesproken er openbare terechtzitting op 1 maart 2017 in tegenwoordigheid van de griffier