Uitspraak
1.[X],
2.[Y],
1.DE PROCEDURE
in de hoofdzaak, in het vrijwaringsincident en in de vrijwaringszaak
2.DE VERDERE BEOORDELING
in het incident
3.DE UITSPRAAK
(P-1);
(P-1);
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
In deze civiele zaak tussen Island Finance Aruba N.V. (IFA) en de gedaagden [X] en [Y] staat de geldigheid van een geldleningsovereenkomst centraal. [X] erkent een schuld aan IFA, terwijl [Y] borg staat voor de nakoming. Het geschil richt zich op de hoogte van de bedongen rente, die volgens [X] hoger is dan het door het Gerecht maximaal aanvaarde percentage van 18% per jaar.
Het Gerecht verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een soortgelijke overeenkomst met IFA werd beoordeeld en vastgesteld dat een rente van 1,5% per maand (18% per jaar) het maximum is dat niet strijdig is met de goede zeden. De in deze zaak bedongen rente is 10% hoger dan dat maximum, namelijk 28% per jaar, en wordt daarom als nietig beoordeeld voor zover deze het maximum overschrijdt.
Het Gerecht geeft IFA de gelegenheid om een nieuwe berekening te maken van de verschuldigde rente op basis van het toegestane percentage. Vervolgens kunnen ook [X] en [Y] hierop reageren. Alle verdere beslissingen worden aangehouden tot na deze uitwisselingen. Het vonnis is gewezen door rechter A.H.M. van de Leur en uitgesproken op 26 april 2017.
Uitkomst: De geldleningsovereenkomst is nietig voor zover de rente het maximum van 18% per jaar overschrijdt; partijen krijgen gelegenheid tot nadere uitlatingen.