ECLI:NL:OGEAA:2017:54

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
26 januari 2017
Publicatiedatum
27 januari 2017
Zaaknummer
K.G. 2779 van 2016
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • W.J. Noordhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 23 lid 1 Comptabiliteitsverordening 1989Artikel 25 leden 1 en 2 Comptabiliteitsverordening 1989
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming overeenkomst met Land Aruba wegens ontbreken aanbesteding

Eiser vordert betaling en toelating tot werk op grond van een vermeende opdrachtovereenkomst met Land Aruba, waarbij hij zich zou inzetten voor het project Planning Aruba 2025. Eiser baseert zijn vordering op afspraken met een adviseur van de minister-president en eerdere werkzaamheden voor een stichting.

De voorzieningenrechter beoordeelt in kort geding of met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen. Hierbij wordt meegewogen het belang van eiser om in zijn levensonderhoud te voorzien en het belang van Land Aruba om niet geconfronteerd te worden met een oninbare vordering.

De rechter oordeelt dat onvoldoende vaststaat dat een overeenkomst de rechtsverhouding beheerst. Daarnaast is niet voldaan aan de Comptabiliteitsverordening 1989, die vereist dat bij een opdracht met een financieel belang boven Afl. 10.000,- een onderhandse aanbesteding moet plaatsvinden. Dit is niet gebleken, waardoor de overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.

De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de kosten, die nihil worden begroot omdat Land Aruba zich door een medewerker liet vertegenwoordigen.

Uitkomst: De vordering van eiser tot betaling en werktoelating wordt afgewezen wegens ontbreken van een geldige overeenkomst en niet-naleving van aanbestedingsregels.

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 26 januari 2017
Behorend bij K.G. 2779 van 2016
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Eiser],
te Aruba,
hierna ook te noemen: Eiser,
gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
LAND ARUBA,
te Aruba,
hierna ook te noemen: Land Aruba,
gemachtigde: de heer A. Lumenier.

DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de pleitnota van [eiser];
- de pleitnota van Land Aruba;
- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 11 januari 2017.
Aan partijen is (nader) meegedeeld dat op 26 januari 2017 vonnis zou worden gewezen.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Tussen [eiser] en [naam adviseur van de minister-president], adviseur van de minister-president en voorzitter van (toen) de stichting Nos Atardi, hebben een aantal gesprekken plaatsgevonden in verband met de economische en sociale ontwikkeling van Aruba en de bijdrage die [eiser] daaraan met zijn ervaring zou kunnen leveren.
2.2
In dat kader heeft [eiser] zich ingezet voor het realiseren van naschoolse opvang. Daarvoor is hij betaald door de stichting Nos Atardi.
2.3
Ook heeft [eiser] op 27 september 2016 een eerste 5 pagina tellend document met een concept voor projecten die in het kader van Planning Aruba 2025 zouden kunnen worden gerealiseerd aan [naam adviseur van de minister-president] doen toekomen.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1
[Eiser] vordert – samengevat –veroordeling van Land Aruba tot betaling van Afl. 2.000, over september 2016, Afl. 4.000, over oktober 2016, toelating tot het verrichten van werk en betaling van Afl. 10.000, per maand vanaf november 2016 tot 30 september 2017, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van Land Aruba tot vergoeding van de proceskosten.
3.2
[Eiser] grondt de vordering erop dat Land Aruba tekortschiet in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht.
3.3
Land Aruba voert hiertegen verweer.

4.DE BEOORDELING

4.1
Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient met een redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden, dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld, dat deze - of een vergelijkbare - vordering zal slagen. Bij deze beoordeling kan dus slechts een voorlopig oordeel worden gegeven en die beoordeling moet geschieden op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt. Daarbij komt betekenis toe aan de belangen van partijen, waaronder het belang van [eiser] om op korte termijn in zijn levensonderhoud te voorzien en het belang van Land Aruba om niet geconfronteerd te worden met een oninbare restitutievordering in het geval dat in de bodemzaak de vordering van [eiser] zou worden afgewezen.
4.2
Naar oordeel van de voorzieningenrechter is in kort geding, in het licht van bovenstaand criterium, niet in voldoende mate vast komen te staan, dat de door [eiser] gestelde overeenkomst de rechtsverhouding van partijen beheerst.
4.3
[Eiser] grondt de vordering tot nakoming van de overeenkomst kennelijk op een met [naam adviseur van de minister-president], adviseur van de minister-president, tot stand gekomen afspraak, dat [eiser] in de periode van, aanvankelijk 1 maart, later 1 juni 2016 tot en met 30 september 2017 (einde regeringsperiode van het huidige kabinet) zich in het kader van het project “Planning Aruba 2025” tegen betaling van, aanvankelijk, Afl. 10.000, per maand, later voor de eerste drie maanden Afl. 4.000, per maand, zou inzetten voor de economische en sociale ontwikkeling van Aruba en de planning daarvan op lange termijn. Een en ander nadat [eiser] eerder al vast werkzaam was geweest ten behoeve van een project voor naschoolse opvang (Nos Atardi) en daarvoor ook werd betaald.
4.4
Artikel 23 lid 1 van Pro de Comptabiliteitsverordening 1989 luidt:
1. Op straffe van nietigheid blijkt uit geschrifte van het door of namens een minister verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling met een geldelijk belang.Artikel 25 leden Pro 1 en 2 van de Comptabiliteitsverordening 1989 luiden:
1. Een werk, een levering of een dienstverrichting waarvan de geraamde kosten Afl. 100.000,- of meer bedragen, wordt slechts toegewezen, nadat daartoe een openbare aanbesteding is gehouden.2. Een werk, een levering of een dienstverrichting waarvan de geraamde kosten minder dan Afl. 100.000,-, maar meer dan Afl. 10.000,- bedragen, wordt slechts toegewezen, nadat daartoe een onderhandse aanbesteding is gehouden, tenzij de betrokken minister van oordeel is, dat een openbare aanbesteding noodzakelijk is.
4.5
Aangenomen dat [naam adviseur van de minister-president] bevoegd zou zijn geweest om de minister-president en vervolgens Land Aruba te binden of [eiser] daarop mocht vertrouwen is, ook als het financieel belang van de gestelde overeenkomst over twee begrotingsjaren wordt verspreid, in beide jaren sprake van een opdrachtovereenkomst met een groter geldelijk belang dan Afl. 10.000,. Daarvoor diende ingevolge de Comptabiliteitsverordening 1989 dus een onderhandse aanbesteding te worden gehouden. Dat [eiser] de opdracht gegund is na onderhandse aanbesteding is niet gebleken. Daarmee is aan een belangrijke totstandkomingsvoorwaarde van de gestelde overeenkomst niet voldaan zodat in kort geding niet geconcludeerd kan worden dat een overeenkomst met Land Aruba tot stand is gekomen. Gesteld noch gebleken is dat Land Aruba zich jegens [eiser], die hier woont en goed bekend is met de Arubaanse samenleving, niet op de Comptabiliteitsverordening zou mogen beroepen. De vorderingen stuiten daarop al af. Partijen hebben geen belang bij verdere bespreken van hun geschilpunten.
4.6
Als de in het ongelijk te stellen partij zal [eiser] de proceskosten van Land Aruba moeten vergoeden. Omdat Land Aruba is verschenen door middel van een van zijn eigen medewerkers zullen de kosten op nihil begroot worden.

5.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Land Aruba worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 26 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.