ECLI:NL:OGEAA:2017:546

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
5 juni 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
LAR nr. 1253 van 2016
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 LARArt. 23 lid 1 LARArt. 53a LARArt. 53b LAR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan rechtstreeks belang bij weigering verblijfsvergunning

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister die de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor haar dochter heeft afgewezen. De aanvraag was gedaan in het kader van gezinshereniging. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.

Het gerecht oordeelt dat appellante niet als belanghebbende kan worden beschouwd omdat zij niet namens haar dochter, de vreemdeling om wie het gaat, maar uit eigen hoofde het beroep heeft ingesteld. Volgens de landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) kan alleen degene wiens belang rechtstreeks bij een beschikking is betrokken beroep instellen.

Daarom verklaart het gerecht het beroep niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof binnen zes weken na dagtekening van de beslissing.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan rechtstreeks belang.

Uitspraak

Uitspraak van 5 juni 2017
LAR nr. 1253 van 2016
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[appellante],
wonende in Aruba,
APPELLANTE,
procederende in persoon,
gericht tegen de beslissing op bezwaar van 10 mei 2016 van:
DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR, RUIMTELIJKE ONTWIKKELING EN INTEGRATIE,
zetelende in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. G.M.N. Maduro (DIMAS).

1.PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 8 mei 2015 is afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om een verblijfsvergunning ten behoeve van haar inmiddels meerderjarige dochter [dochter] (hierna: dochter) in het kader van gezinshereniging.
Bij brief, gedateerd 12 mei 2015, heeft appellante, namens [dochter], tegen deze beschikking bezwaar gemaakt bij verweerder.
Bij beslissing op bezwaar van 10 mei 2016 heeft de verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.
Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld, door op 2 juni 2016 een beroepschrift in te dienen bij dit gerecht.
Op 13 juli 2016 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 17 oktober 2016, alwaar appellante in persoon en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd is verschenen.
De uitspraak is hierna nader bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid

2.1
Ingevolge artikel 3, lid 1 van de Lar wordt in deze landsverordening onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een beschikking is betrokken.
Ingevolge artikel 23, lid 1 van de Lar kan degene die door een op een bezwaarschrift genomen beslissing rechtstreeks in zijn belang is getroffen, daartegen beroep instellen bij het gerecht.
2.2
Conform bestendige jurisprudentie van het Hof, overweegt het gerecht dat bij de weigering van een vergunning tot verblijf slechts het belang van de desbetreffende vreemdeling rechtstreeks is betrokken. In dit geval heeft appellante niet namens de betreffende vreemdeling, doch uit eigen hoofde beroep aangetekend tegen de beslissing op bezwaar van 10 mei 2016. Appellante kan echter niet als belanghebbende bij die beslissing op bezwaar worden aangemerkt. Dit betekent dat het beroep, gelet op artikel 23, eerste lid, van de Lar niet-ontvankelijk is.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing werd gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 5 juni 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).