ECLI:NL:OGEAA:2017:951

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
7 december 2017
Zaaknummer
EJ nr. 1625 van 2016 / AUA201601470
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • W.J. Noordhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en vaststelling draagkracht ouders

De zaak betreft een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW Pro. Het gerecht stelde vast dat de omstandigheden sinds de beschikking van 31 augustus 2011 zijn gewijzigd, wat een aanpassing van de alimentatie rechtvaardigt.

Bij de beoordeling hanteerde het gerecht een normbedrag van Afl. 450 per maand voor kosten van verzorging en opvoeding van een kind jonger dan 12 jaar, inclusief noodzakelijke schoolkosten, kleding, recreatie en persoonlijke verzorging. Daarnaast werden bijzondere uitgaven zoals naschoolse opvang, zwemles en padvinderij meegenomen, waardoor de behoefte van de minderjarige werd vastgesteld op Afl. 880 per maand.

De draagkracht van beide ouders werd vastgesteld aan de hand van hun netto-inkomens en redelijke vaste lasten. Voor de vader werden zowel het inkomen uit arbeid als uit onderneming meegenomen, met aftrek van een woonkostencomponent volgens de Nederlandse bijstandsnorm en rekening houdend met gedeelde woonlasten. Voor de moeder werden naast een vaste norm ook woonlasten en aflossing van leningen in aanmerking genomen.

Uiteindelijk bepaalde het gerecht de bijdrageplicht van de vader op de helft van de behoefte van het kind, zijnde Afl. 440 per maand, met ingang van 1 september 2016. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De bijdrage van de vader in de kinderalimentatie wordt vastgesteld op Afl. 440 per maand met ingang van 1 september 2016.

Uitspraak

Beschikking van 5 december 2017
Behorend bij EJ nr. 1625 van 2016 / AUA201601470
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
op het verzoek van
[Verzoekster],
wonende in Aruba,
VERZOEKSTER, hierna de moeder,
gemachtigde: de advocaat mr. A.F.J. Caster,
tegen
[Verweerder],
wonende in Nederland,
VERWEERDER, hierna de vader,
gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn.
Belanghebbende:
[minderjarige], de minderjarige.

1.DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit de tussenbeschikking van dit gerecht van 14 maart 2017, waarbij het gezag is uitgesproken, een voorlopige omgangsregeling is bepaald en de beslissing omtrent de kinderalimentatie is aangehouden. Het verloop van de verdere procedure blijkt uit:
  • de producties aan de zijde van de moeder, ingediend op 24 augustus en 19 september 2017;
  • de producties en aantekeningen aan de zijde van de vader, ingediend op 21 september 2017 en overgelegd op 26 september 2017;
  • de griffiersaantekeningen van de voortzetting behandeling achter gesloten deuren op 26 september 2017, waaruit blijkt dat zijn verschenen de moeder in persoon bijgestaan door mr. M.M.M.C. Ecury occuperende voor mr. A.F.J. Caster en de vader bij zijn gemachtigde;
  • de akte uitlating aan de zijde van de moeder, ingediend op 19 oktober 2017;
  • de akte uitlating aan de zijde van de vader, overgelegd op 24 oktober 2017.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
Zoals reeds besloten in de beschikking van 14 maart 2017 is naar het oordeel van het gerecht sprake van wijziging van omstandigheden conform artikel 1:401 lid 1 BW Pro die een wijziging van de bij beschikking van 31 augustus 2011 vastgestelde kinderalimentatie, rechtvaardigt.
2.2
Het gerecht zal gelet hierop een nieuwe alimentatie vaststellen. Bepalend voor de hoogte van de kinderalimentatie zijn de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de draagkracht van zowel de moeder als de vader. Teneinde ieders draagkracht te bepalen, dienen over en weer de netto-inkomens te worden vastgesteld, alsmede de vaste lasten die in redelijkheid voorrang krijgen boven het betalen van kinderalimentatie.

2.3
Bij het vaststellen van de kosten van verzorging en opvoeding hanteert het gerecht als richtsnoer voor kinderen van jonger dan 12 jaar een bedrag van Afl. 450,- per maand. In dit bedrag zitten begrepen de noodzakelijke schoolkosten en de kosten aan kleding, recreatie en persoonlijke verzorging, zodat met de door de moeder opgevoerde schoolgeld geen rekening wordt gehouden nu binnen dit bedrag binnen het normbedrag valt. Dit normbedrag kan worden verhoogd indien blijkt van bijzondere uitgaven ten behoeve van het kind die niet zijn begrepen in bovengenoemd bedrag. In dit geval is wel gebleken van dergelijke uitgaven, namelijk de naschoolse opvang, de zwemles en de padvinderij zodat het gerecht de behoefte van de minderjarige zal bepalen op Afl. 880, per maand.

2.4
Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat de draagkracht van de moeder en de vader elkaar niet veel ontlopen. Daarbij neemt het gerecht voor wat betreft de draagkracht van de vader zijn inkomen uit arbeid en dat uit de onderneming in aanmerking. Het gerecht zal wat betreft de kosten rekening houden met de Nederlandse bijstandsnorm (onder aftrek van 30% woonkostencomponent van die uitkering) en de helft van de woonlasten nu de vader samenwoont en van zijn partner geen financiële gegevens zijn overgelegd. Met de overige opgevoerde lasten houdt het gerecht separaat geen rekening omdat die worden geacht te worden bestreden uit een bedrag gelijk aan bijstand of achtergesteld moeten worden bij de plicht van de vader financieel bij te dragen aan de opvoeding van de minderjarige. Voor wat betreft de draagkracht van de moeder neemt het gerecht naast de vaste norm van Afl. 1.400, nog de helft van de woonlasten en de aflossing van leningen in aanmerking.
2.5
Alles bijeengenomen zal het gerecht daarom de bijdrageplicht voor de vader bepalen op de helft van de behoefte van de minderjarige, mitsdien Afl. 440, per maand.
2.6
Gegeven de omstandigheid dat de vader na een redelijke termijn na indiening van het verzoekschrift rekening heeft moeten houden met het bestaand van de onderhoudsplicht zal de ingangsdatum worden bepaald op 1 september 2016.

3.DE BESLISSING

Het gerecht:
wijzigt de beschikking van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 31 augustus 2011 (zaaknummer 200.081.931/01) in dier voege dat de bijdrage van de vader [verweerder] in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats], met ingang van 1 september 2016 wordt bepaald op Afl. 440,- per maand,
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag 5 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.