ECLI:NL:OGEAA:2017:992

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
13 december 2017
Publicatiedatum
19 december 2017
Zaaknummer
A.R. nr. 1158 van 2017/AUA201701041
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63a RvHR NJ 2003/566HR NJ 2007/482
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling tot betaling van geldvordering en rente aan RBC Royal Bank Aruba

De naamloze vennootschap RBC Royal Bank (Aruba) N.V. vorderde betaling van een geldbedrag van Afl. 11.401,84, vermeerderd met 18% rente vanaf 1 mei 2017 en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 1.500,-- van twee gedaagden. Na een comparitie van partijen en nadere producties heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba het verzoek van RBC grotendeels toegewezen.

Het Gerecht oordeelde dat de vordering tot betaling van de hoofdsom en rente toewijsbaar is, maar wees de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af omdat niet is gebleken dat de gevorderde werkzaamheden buiten de normale voorbereiding van de procedure vielen. De aanmaningsbrieven vielen binnen het bereik van artikel 63a Rv, waardoor vergoeding niet zonder meer wordt toegekend.

De gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en rente, alsmede de proceskosten begroot op Afl. 3.359,97. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eén van de gedaagden was niet verschenen, maar het vonnis is in aanwezigheid van de griffier uitgesproken op 13 december 2017.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van Afl. 11.401,84 met 18% rente en proceskosten van Afl. 3.359,97, met afwijzing van incassokostenvergoeding.

Uitspraak

Vonnis van 13 december 2017
Behorend bij A.R. nr. 1158 van 2017/AUA201701041
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,gevestigd te Aruba,
EISERES,
hierna ook te noemen: RBC,
gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes,
tegen:
1. [Gedaagde 1],
wonende in Aruba, te [adres],
hierna ook te noemen: [gedaagde 1],
2. [Gedaagde 2],
wonende in Aruba, te [adres],
hierna ook te noemen: [gedaagde 2],
hierna gezamenlijk ook te noemen [gedaagden],
beiden procederend in persoon,
GEDAAGDEN.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure tot 11 oktober 2017 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen na antwoord heeft plaatsgevonden op 6 november 2017. RBC is toen ter zitting verschenen bij haar gemachtigde, voor wie mr. J.A. Saade heeft geoccupeerd, die werd vergezeld door [branchmanager] (branchmanager van de RBC te […]). [Gedaagde 2] is in persoon ter zitting verschenen. [Gedaagde 1], aan wie het tussenvonnis (met daarin dag- en tijdbepaling van de comparitie) tijdig bij deurwaardersexploot is betekend, is niet verschenen. De ter zitting verschenen partijen hebben over en weer het woord gevoerd (RBC mede aan de hand van toegelaten nadere producties), en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
1.2
Vonnis is bepaald op heden.

2.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1
RBC vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt
a. om aan RBC te betalen Afl. 11.401,84, te vermeerderen met (1) overeengekomen rente ad 18% jaarlijks gerekend vanaf 1 mei 2017 tot aan de algehele voldoening en (2) Afl. 1.500,-- aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;
b. in de proceskosten.

3.DE VERDERE BEOORDELING

3.1
Het Gerecht volhardt in zijn in het tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen.
3.2
Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 2.6 en 2.7 van het tussenvonnis zal het onder a. verzochte worden toegewezen als na te melden, met uitzondering van de verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
3.3
Het enkele feit dat partijen vergoeding van kosten van verkrijging van voldoening buiten rechte overeen zijn gekomen brengt niet mee dat de vordering op dit onderdeel zonder meer wordt toegewezen. Van belang is dat vast komt te staan dat de werkzaamheden waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn aan te merken als verrichtingen anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor artikel 63a Rv een voorziening geeft (zie HR NJ 2003/566 in verbinding met HR NJ 2007/482). Gedocumenteerd gesteld noch is gebleken dat zulke werkzaamheden zijn verricht. De werkzaamheden die gemoeid zijn gegaan met de twee door RBC overgelegde aanmaningsbrieven van - vreemd genoeg - dezelfde datum (te weten 12 april 2017) vallen zonder meer binnen het bereik van voormeld artikel.
3.4
[Gedaagden] zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk worden verwezen in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van RBC, tot aan deze uitspraak begroot op (750,-- + 193,09 + 208,44 + 208,44 =) Afl. 1.359,97 aan verschotten (griffiegeld en deurwaarderskosten) en Afl. 2.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van tarief 4 van het liquidatietarief, ad Afl. 1.000,-- per punt).

4.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
-veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk - des dat hetgeen de één heeft betaald ook de ander ten belope van die betaling bevrijdt - om aan RBC te betalen Afl. 11.401,84, te vermeerderen met overeengekomen rente ad 18% jaarlijks gerekend vanaf 1 mei 2017 tot aan de algehele voldoening;
-veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk - des dat hetgeen de één heeft betaald ook de ander ten belope van die betaling bevrijdt - in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van RBC, tot aan deze uitspraak begroot op Alf. 3.359,97;
-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
-wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 13 december 2017 in aanwezigheid van de griffier.