Appellanten hebben bij brief van 4 en 17 oktober 2016 de Minister van Justitie en Verslavingszorg verzocht handhavend op te treden tegen het storten van asbesthoudend afval door een raffinaderij nabij hun woning. Na uitblijven van een beslissing op dit verzoek, maakten zij op 23 januari 2017 bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing. Vervolgens werd op 4 juli 2017 beroep ingesteld bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.
Tijdens de zitting op 11 december 2017 verschenen beide partijen, waarbij verweerder geen verweerschrift had ingediend. Het gerecht oordeelde dat de reactie van verweerder van 6 december 2016 geen besluit was, maar een feitelijke mededeling zonder inhoudelijke beantwoording van de gronden van appellanten.
Gezien het uitblijven van een reële beslissing op het bezwaar en het ontbreken van verweer, oordeelde het gerecht dat de fictieve afwijzende beschikking niet in stand kan blijven. Het beroep werd gegrond verklaard, de fictieve beschikking vernietigd en verweerder opgedragen binnen drie maanden een reële beslissing te nemen. Tevens werd het door appellanten betaalde griffierecht terugbetaald.