ECLI:NL:OGEAA:2018:122
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en gegrondverklaring beroep tegen uitblijven beslissing verblijfsvergunning
Appellante, van Filipijnse nationaliteit en woonachtig in Aruba, diende op 12 april 2017 een verzoek in voor een tijdelijke verblijfsvergunning om in Aruba te wonen en te werken. Dit verzoek werd niet beslist, waarop zij op 30 augustus 2017 bezwaar maakte. Omdat ook op dit bezwaar niet werd beslist, stelde zij op 17 januari 2018 beroep in bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Het gerecht oordeelde dat appellante geen voldoende spoedeisend belang had bij het treffen van een voorlopige voorziening. De omstandigheid dat zij niet rechtsgeldig verblijft en daardoor niet kan werken, werd onvoldoende geacht om een voorlopige voorziening toe te kennen. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Ten aanzien van het beroep stelde het gerecht vast dat appellante tijdig beroep had ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Verweerder was in gebreke gebleven door niet binnen de wettelijke termijn te beslissen. Verweerder voerde aan dat het verzoek waarschijnlijk zou worden afgewezen wegens het ontbreken van een officiële verklaring van het Departamento di Progreso Labora (DPL), maar appellante stelde dat zij wel over een dergelijke verklaring beschikte op basis van een ministeriële ontheffing.
Het gerecht concludeerde dat verweerder geen inhoudelijke motivering had gegeven voor het uitblijven van een beslissing en verklaarde het beroep gegrond. Verweerder werd opgedragen binnen drie maanden een reële beschikking op het bezwaar te geven. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en werd het griffierecht aan appellante terugbetaald.
Uitkomst: Verzoek voorlopige voorziening afgewezen; beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen drie maanden te beslissen.