ECLI:NL:OGEAA:2018:402

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
2 juli 2018
Publicatiedatum
4 juli 2018
Zaaknummer
AUA201801456
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 Landsverordening ambtenarenrechtspraakArt. 82 Landsverordening materieel ambtenarenrechtArt. 83 Landsverordening materieel ambtenarenrechtArt. 98 Landsverordening materieel ambtenarenrechtArt. 35 Landsverordening ambtenarenrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorziening bij voorraad tegen ontslag wegens verboden vuurwapenbezit

Verzoeker, werkzaam als onderopzichter tweede klasse bij de Dienst Openbare Werken, is ontslagen op grond van een onherroepelijke veroordeling tot een gevangenisstraf wegens overtreding van de Vuurwapenverordening. Het ontslag is gebaseerd op artikel 98 van Pro de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, dat ontslag mogelijk maakt bij een veroordeling tot vrijheidsstraf.

Verzoeker maakte bezwaar tegen het ontslag en verzocht om een voorziening bij voorraad om zijn ambtelijke bezoldiging door te betalen en zijn werkzaamheden te hervatten totdat de beschikking onherroepelijk is. Het gerecht oordeelde dat het verzoek onvoldoende gronden bevatte, mede omdat het feit als ernstig wordt gekwalificeerd en het vertrouwen in verzoeker als ambtenaar ernstig is geschaad.

Het gerecht overwoog dat aan ambtenaren hoge eisen worden gesteld op het gebied van integriteit en betrouwbaarheid. De disciplinaire straf van ontslag is passend en niet onevenredig in verhouding tot de gepleegde overtreding. Verzoekers overige bezwaren, waaronder schending van zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel, werden verworpen.

Daarom is het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad afgewezen en zal het bezwaar in de bodemprocedure waarschijnlijk ongegrond worden verklaard. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad wordt afgewezen en het ontslag blijft van kracht.

Uitspraak

Uitspraak van 2 juli 2018
AUA201801456
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in
artikel 94 van Pro de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[verzoeker],
wonend te Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: mr. R.P. Lee,
tegen:
de Gouverneur van Aruba,
zetelende te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. V. Emerencia (DWJZ).

1.PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 20 maart 2018, no. 2, heeft verweerder verzoeker met toepassing van artikel 98, eerste lid onder d van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, ontslag verleend, zulks met ingang van de dag na dagtekening van dit landsbesluit.
Tegen dit besluit heeft verzoeker op 17 en 26 april 2018 bezwaar gemaakt bij dit gerecht.
Tevens heeft hij zich tot het gerecht gewend met een verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad ertoe strekkende dat zijn ambtelijke bezoldiging wordt doorbetaald en dat hij wordt toegestaan zijn werkzaamheden te hervatten totdat de bestreden beschikking onherroepelijk is geworden.
Het verzoek is op 18 juni 2018 in raadkamer behandeld, waar verzoeker is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.
Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.
2.
OVERWEGINGEN
2.1
Ingevolge artikel 94 van Pro de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.
Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van Pro de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.
2.2
Ingevolge artikel 82, eerste lid van de Lma, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.
Het tweede lid bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, omvat.
Ingevolge het derde sluit een strafvervolging wegens een feit dat mede een plichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire strafoplegging wegens datzelfde feit niet uit.
2.3
In artikel 83, eerste lid, onderdeel i, van de Lma is bepaald dat een van de disciplinaire straffen die kan worden toegepast, ontslag is.
2.4
Ingevolge artikel 98, eerste lid, van de Lma kan, buiten de gevallen, hiervoren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, de ambtenaar slechts worden ontslagen op grond van:
a. (…);
(…);
d. een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
(…).
2.5
Verzoeker is werkzaam bij de Dienst Openbare Werken (DOW) in de rang van onderopzichter tweede klasse. Aan het aan verzoeker opgelegde disciplinaire ontslag is ten grondslag gelegd dat verzoeker op 18 januari 2018 onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens overtreding van artikel 3 van Pro de Vuurwapenverordening. Verweerder voert aan dat hij hoge eisen aan de integriteit en betrouwbaarheid van zijn ambtenaren stelt en verzoeker heeft door zijn handelen het vertrouwen in hem ernstig geschaad. Het is dan ook onwenselijk dat verzoeker nog langer in overheidsdienst blijft, aldus verweerder.
2.6
Bij vonnis van 18 januari 2018 is verzoeker vanwege het overtreden van artikel 3 van Pro de Vuurwapenverordening (verboden vuurwapenbezit) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Het feit waarvoor verzoeker is veroordeeld, kan naar het oordeel van het gerecht, als ernstig worden gekwalificeerd. Aan een ambtenaar mogen zeker hoge eisen worden gesteld wat de integriteit en betrouwbaarheid betreft. Verweerder heeft zich dan ook op goede grond op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker met zijn handelen het aanzien van zijn ambt en het vertrouwen in hem ernstig heeft beschadigd. Gelet op de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker en de ernst van het feit waarvoor hij is veroordeeld, heeft verweerder de disciplinaire straf van ontslag mogen opleggen. Naar het voorlopig oordeel van het gerecht kan dan ook niet met vrucht worden betoogd dat er tussen de door verweerder aan verzoeker opgelegde straf en de gepleegde overtreding onevenredigheid bestaat, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de La. De door verzoeker (voorts) aangedragen gronden, waaronder zijn stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel, werpen voorts onvoldoende gewicht in de schaal om tot het oordeel te komen dat het gegeven ontslag een te zware sanctie is.
2.7
Nu geen van de door verzoeker aangedragen gronden doel treft, komt het gerecht tot de conclusie dat het bezwaar van verzoeker in de bodemprocedure waarschijnlijk ongegrond zal worden verklaard. Voor het treffen van een voorziening bij voorraad bestaat daarom geen aanleiding. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken in raadkamer op maandag, 2 juli 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.
Ingevolge het bepaalde in artikel 94, lid 4, Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.