ECLI:NL:OGEAA:2018:561

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
18 september 2018
Publicatiedatum
27 september 2018
Zaaknummer
2017/AUA201703588 en E.J. AUA201800418
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:211 BWArt. 8:212 BWArt. 8:204 BWArt. 483 RvArt. 484 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking rechter-commissaris inzake aanmelding vorderingen en voorrang in faillissementsprocedure

In deze beschikking van 18 september 2018 behandelt het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een procedure betreffende de aanmelding van diverse vorderingen in een faillissementsprocedure. De rechtspersoon ASEAN International Limited en verschillende bemanningsleden en banken hebben hun vorderingen aangemeld met diverse grondslagen, waaronder loonvorderingen en preferente vorderingen op grond van het BW.

De rechter-commissaris benoemt mr. A.H.M. van de Leur als opvolger van mr. Noordhuizen vanwege diens verhindering. Vervolgens wordt vastgesteld dat partijen, die allen in het buitenland gevestigd zijn, de gelegenheid moeten krijgen om schriftelijk op elkaars vorderingen en de geclaimde voorrang te reageren.

De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 30 oktober 2018 voor nadere schriftelijke reacties. Nadien zal de staat van verdeling worden opgemaakt en kunnen partijen zich formeel verzetten tegen de staat van verdeling. Verdere beslissingen worden aangehouden totdat deze procedure is afgerond.

Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor schriftelijke reacties en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitspraak

Beschikking van 18 september 2018
Behorend bij E.J. 2387 van 2017/AUA201703588 en E.J. AUA201800418 en E.J. AUA201800419 en E.J. AUA201800423
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING VAN DE RECHTER-COMMISSARIS
in de zaak van:
de rechtspersoon naar vreemd recht
ASEAN INTERNATIONAL LIMITED,
te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
hierna ook te noemen: Asean,
gemachtigde: de advocaat mr. D.W. Ormel.

1.DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
-de beschikking van 30 januari 2018;
-de aanmelding van haar vordering door Asean bij brief van 9 februari 2018;
-de aanmelding van hun vorderingen door [bemanningsleden1] c.s. bij brief van 16 februari 2018;
-de aanmelding van haar vordering door [naam Ltd] bij brief van 16 februari 2018;
-de aanmelding van hun vordering door [naam bank] c.s. bij brief van 16 februari 2018.
Van de zijde van mr. Noordhuizen is verhindering opgekomen om deze zaak verder te behandelen. Om die reden benoemt het Gerecht mr. A.H.M. van de Leur tot rechter-commissaris, aan wie mr. Noordhuizen deze zaak heeft overgedragen. Deze beschikking wordt door mr. Van de Leur ondertekend als rechter van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba en als rechter-commissaris.

2.DE BEOORDELING

2.1
De aangemelde vorderingen en de (primair) gestelde grondslagen daarvoor zijn als volgt.
I.Asean bunker ex artikel 8:211 sub a BW Pro US$ 1.380.128,30
rente pm
II.De navolgende personen, hierna te noemen: de bemanningsleden, maken ieder voor zich aanspraak op het achter hun naam vermelde bedrag in US$ aan loon ex artikel 8:211 sub b BW Pro:
1. bemanningsleden1], 127.059
2. [ bemanningsleden2], 24.614
3. [ bemanningsleden3], 38.306
4. [ bemanningsleden4], 77.081
5. [ bemanningsleden5], 41.445
6 [ bemanningsleden6], 35.992
7. [ bemanningsleden7], 17.016
8. [ bemanningsleden8], 19.017
9. [ bemanningsleden9], 21.865
10. [ bemanningsleden10], 20.489
11. [ bemanningsleden11], 20.794
12. [ bemanningsleden12], 23.633
13. [ bemanningsleden13], 4.509
14. [ bemanningsleden14], 29.529
15. [ bemanningsleden15], 14.961
16. [ bemanningsleden16], 8.315
17. [ bemanningsleden17], 5.902
18. [ bemanningsleden18], 21.258
Verder maken de bemanningsleden ieder voor zich aanspraak
op kosten van rechtsbijstand ex artikel 8:212 BW Pro ad US$ 750,-- (per persoon dus).
De bemanningsleden sub 1 en sub 3 tot en met 12 maken tot slot ieder voor zich aanspraak op verbeurde dwangsommen ter hoogte van US$ 100.000,-- en bemanningslid sub 2 ter hoogte van US$ 3.000,--, met voorrang op grond van artikel 8: 211 sub b BW.
III.[naam Ltd]. ex artikel 8:211 sub a BW Pro 100.418,42
ex artikel 8:212 BW Pro rente pm
IV.[naam bank], (SBI Singapore (en voor zover nodig SBI, Mumbai en Bank of Baroda)) ex artikel 8:204 BW Pro:
a. het bedrag van US$ 107.467.094,75, zijnde het totale bedrag van de verschuldigde hoofdsom ten aanzien van de vordering van SBI, Mumbai sinds 21 december 2017;
b. de verschuldigde rente ten aanzien van de vordering van SBI, Mumbai van 7,1969% per jaar, berekend tot het moment van de verdeling van de opbrengst van de executie, welke rente op 31 december 2017 US$ 3.939.491,-- bedroeg;
c. de verschuldigde “
default interest” van 2% per jaar ten aanzien van de vordering van SBI, Mumbai, berekend tot het moment van de verdeling van de opbrengst van de executie, welke default interest op 31 december 2017 US$ 3.939.491,-- bedroeg;
d. het bedrag van US$ 12.076.596,-- zijnde het totale bedrag van de verschuldigde hoofdsom ten aanzien van de vordering van Bank of Baroda sinds 5 januari 2016;
e. de verschuldigde rente tegen het tarief van 3 maands LIBOR + 6,45% per jaar op de hoofdsom van US$ 12.076.596,-- ter zake van de vordering van Bank of Baroda, berekend tot het moment van de verdeling van de opbrengst van de executie, welke rente op 19 oktober 2017 US$ 1.690.394,38 bedroeg;
f. de verschuldigde default interest van 2 % per jaar ter zake van de vordering van Bank of Baroda, berekend tot het moment van de verdeling van de opbrengst van de executie, welke default interest op 19 oktober 2017 US$ 52.037,42 bedroeg;
g. alle door SBI Singapore in dezen geleden schade en gemaakte kosten, waaronder in ieder geval de kosten zoals genoemd onder punt 22 en 23 van het aanmeldingsstuk van State Bank of India c.s..
2.2
Namens de (voormalige) bemanningsleden heeft [advocaat] verzocht om partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk op elkaars vorderingen en de geclaimde voorrang te laten reageren, mede omdat alle partijen in het buitenland gevestigd zijn.
2.3
Met de bemanningsleden komt het de rechter-commissaris voorshands weinig zinvol voor om dag en uur te bepalen waarop alle partijen zich bij de rechter-commissaris kunnen vervoegen tot het voorstellen van hun tegenspraak als bedoeld in artikel 484 Rv Pro. De rechter-commissaris zal daarom de zaak verwijzen naar de hierna vermelde E.J.-rolzitting voor akte uitlating zijdens partijen. Partijen kunnen dan bij die door hen onderscheidenlijk te nemen aktes - desgewenst - schriftelijk bezwaar maken tegen elkaars vordering en de voorrang waarop aanspraak wordt gemaakt. Nadien zal de staat van verdeling op voet van artikel 483 Rv Pro worden opgemaakt en zo nodig een dag worden bepaald waarop partijen op voet van artikel 484 Rv Pro zich bij de rechter-commissaris kunnen vervoegen tot het (formeel) voorstellen van tegenspraak tegen die staat van verdeling. In geval van (gehandhaafde) tegenspraak zal de zaak op voet van artikel 486 lid 1 Rv Pro worden verwezen naar de (algemene) rolzitting. In dat geval dienen de gemachtigden van partijen zich op voet van artikel 486 lid 2 Rv Pro te stellen in die (naar verwachting langdurige) procedure.
2.4
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.DE UITSPRAAK

De rechter-commissaris:
-verwijst de zaak naar de E.J.-rolzitting van dinsdag 30 oktober 2018 voor nadere schriftelijke reactie als bedoeld in rechtsoverweging 2.3;
-houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 18 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.[1] Zie onderaan bijlage Formele relaties
2.[2] Zie onderaan bijlage Overzicht rechtsgebieden
3.[3] Zie onderaan bijlage Bijzondere kenmerken van uitspraak