ECLI:NL:OGEAA:2018:716

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
14 november 2018
Publicatiedatum
3 december 2018
Zaaknummer
AUA201803273
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1615ij BWAArt. 2 Landsverordening houdende regels inzake het ter beschikking stellen van arbeidskrachtenArt. 13 Landsverordening houdende regels inzake het ter beschikking stellen van arbeidskrachten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering uitzendkracht wegens niet verrichte arbeid na beëindiging uitzending

Op 23 april 2018 sloten partijen een uitzendovereenkomst. Ten tijde van het aangaan beschikte de uitzendorganisatie niet over de vereiste vergunning zoals voorgeschreven in de Landsverordening ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

De uitzendkracht werd op 1 juni 2018 meegedeeld dat er geen werk meer voor hem was. Hij vorderde loonbetaling vanaf die datum, stellende dat door het ontbreken van de vergunning de uitzendovereenkomst van rechtswege was omgezet in een arbeidsovereenkomst.

De rechter oordeelde dat het ontbreken van de vergunning geen gevolgen heeft voor de arbeidsrelatie tussen uitzendkracht en uitzendorganisatie. Omdat de uitzendkracht sinds 1 juni 2018 geen arbeid meer heeft verricht, heeft hij geen recht op loon. De vordering werd afgewezen en de uitzendkracht werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen omdat de uitzendkracht geen arbeid meer heeft verricht na beëindiging van zijn uitzending.

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 14 november 2018
Behorend bij AUA201803273
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Naam Eiser]
wonende te Aruba,
hierna ook te noemen: [Naam Eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. J.A.R. Bryson,
tegen:
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[Naam VBA]
gevestigd te Aruba,
hierna ook te noemen: [NAAM VBA],
gemachtigde: de advocaat mr. lic. B.M. de Sousa,

1.DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 16 oktober 2018,
- de pleitnota van [Naam Eiser],
- de pleitnota van [NAAM VBA] met producties;
- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 2 november 2018.
Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Tussen partijen is op 23 april 2018 een uitzendovereenkomst tot stand gekomen ex artikel 7A:1615ij BWA.
2.2
Ten tijde van het aangaan van de uitzendovereenkomst beschikte [naam VBA] niet over de vereiste vergunning als bedoeld in artikel 2 van Pro de Landsverordening inhoudende regels inzake het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
2.3
Op 1 juni 2018 heeft [NAAM VBA] [Naam Eiser] meegedeeld dat zij geen werk meer voor hem had.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [
Naam Eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [naam VBA] tot betaling van zijn loon af Afl. 765,00 per week vanaf 1 juni 2018 tot dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigt, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente en met veroordeling van [naam VBA] tot vergoeding van de proceskosten.
3.2 [
Naam Eiser] grondt de vordering erop dat wegens het ontbreken van de vereiste vergunning de uitzendovereenkomst van rechtswege is omgezet in een arbeidsovereenkomst en [naam VBA] niet bevoegd is om op deze wijze de arbeidsrelatie te beëindigen.
3.3 [
NAAM VBA] voert hiertegen verweer, dat bij de beoordeling aan de orde komt.

4.DE BEOORDELING

4.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst een uitzendovereenkomst is als bedoeld in artikel 7A:1615ij BWA. Ingevolge het bepaalde in lid 2 van genoemd artikel heeft de ter beschikking gestelde arbeidskracht slechts dan recht op loon, indien hij daadwerkelijk arbeid verricht. Evenmin is in geschil het feit dat [Naam Eiser] sinds 1 juni 2018 geen arbeid meer heeft verricht.
4.2 [
Naam Eiser] bepleit dat, nu [naam VBA] sinds eind juli 2017 niet langer beschikte over een geldige vergunning als vereist op grond van artikel 2 van Pro de Landsverordening houdende regels inzake het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, de uitzendovereenkomst tussen partijen van rechtswege is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur.
4.3
Zoals reeds ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen, ontbeert deze stelling een juridische grondslag. Het ontbreken van - de in artikel 2 van Pro de Landsverordening houdende regels inzake het ter beschikking stellen van arbeidskrachten dwingendrechtelijk voorgeschreven - uitzendvergunning regardeert [Naam Eiser] niet. Immers, in gevolge artikel 13 loopt Pro degene die onder meer artikel 2 van Pro deze verordening overtreedt, het risico op hechtenis of een geldboete. De sanctie op overtreding van het vergunningvereiste heeft dan ook geen gevolgen voor de relatie tussen de uitzendkracht en de uitzendorganisatie.
4.4
Nu [Naam Eiser] na de beëindiging van zijn eerste uitzending geen arbeid meer heeft verricht in opdracht en voor rekening van [naam VBA], heeft hij geen recht op loon. Om deze reden wordt de vordering afgewezen.
4.5 [
Naam Eiser] wordt nu hij in het ongelijk is gesteld, in de kosten van de procedure veroordeeld.

5.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:
5.1
wijst het gevorderde af;
5.2
veroordeelt [Naam Eiser] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [naam VBA] worden begroot op Afl. 1.000,00 aan salaris van de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.