ECLI:NL:OGEAA:2018:74

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
29 januari 2018
Publicatiedatum
20 februari 2018
Zaaknummer
AUA201700906
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30, tweede lid, LarArt. 53a LarArt. 53b Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep na honorering verzoek vergunning tijdelijk verblijf

Appellante verzocht op 1 september 2016 om een vergunning tot tijdelijk verblijf in Aruba zonder werkvergunning, onder garantie van haar echtgenoot. Dit verzoek werd bij beschikking van 13 januari 2017 afgewezen door verweerder. Appellante maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar na het uitblijven van een beslissing daarop stelde zij op 22 mei 2017 beroep in bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.

Tijdens de procedure gaf appellante op 5 december 2017 te kennen dat haar verzoek alsnog is gehonoreerd. Hierdoor was het belang bij het beroep komen te vervallen. Het gerecht verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en bepaalde dat de fictieve afwijzende beschikking door verweerder dient te worden ingetrokken of gewijzigd ten gunste van appellante.

Verder werd gelast dat het betaalde griffierecht van 25 Arubaanse florin aan appellante wordt teruggegeven. Omdat het beroep niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leidt, bestaat er geen grondslag voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan op 29 januari 2018 door rechter Winfield.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het betaalde griffierecht wordt teruggegeven.

Uitspraak

Uitspraak van 29 januari 2018
AUA201700906
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[appellante,
verblijvend in Aruba,
APPELLANTE
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
gericht tegen:
de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. N.R. Sneek (DIMAS).

1.PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 13 januari 2017 heeft verweerder het verzoek van appellante van 1 september 2016 om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf om onder garantie van haar echtgenoot, zonder toestemming om te werken, in Aruba te verblijven, afgewezen.
Daartegen heeft appellante op 30 januari 2017 bezwaar gemaakt.
Tegen het uitblijven van een beslissing op het aldus gemaakte bezwaar heeft appellante op 22 mei 2017 beroep ingesteld bij dit gerecht.
Verweerder heeft op 7 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.
Op 5 december 2017 heeft appellante, per fax, een nader stuk ingediend.
Hierna is uitspraak bepaald op heden.

2.OVERWEGINGEN

2.1
Appellante heeft op 1 september 2016 verweerder verzocht om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf om onder garantie van haar echtgenoot, zonder toestemming om te werken, in Aruba te kunnen verblijven. Dit verzoek is, zoals hiervoor vermeld, bij beschikking van 13 januari 2017 afgewezen.
Bij brief van 5 december 2017 heeft appellante te kennen gegeven dat haar verzoek is gehonoreerd. Onder deze omstandigheden is het belang aan het beroep komen te ontvallen.
2.2
Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.3
Met de honorering van het verzoek van appellante van 1 september 2016 dient de in beroep bestreden fictieve afwijzende beschikking door verweerder ten voordele van appellante ingetrokken dan wel gewijzigd te worden geacht. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding te gelasten dat het betaalde griffierecht wordt teruggegeven (artikel 30, tweede lid, van de Lar).
2.4
Nu het beroep niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leidt, bestaat voor een veroordeling in de kosten geen wettelijke grondslag (vergelijk de uitspraken van het GHvJ van 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0582 en van 23 mei 2014, HLAR 64027/13).

3.BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- gelast teruggave aan appellante van het door haar betaalde bedrag van Afl. 25,- .
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 29 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).
Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).