Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2019:220

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
10 april 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
AUA201800717
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 3:106 BWArt. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:306 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen eigendom watersportbedrijf op openbaar strand Aruba

Windward exploiteert een watersportbedrijf op het strand in de hotelzone van Aruba en vordert eigendom van de grond waarop het gebouwtje staat, stellende dat zij sinds 1980 het bedrijf daar uitoefent en bezit heeft. Het Land Aruba verzet zich met het argument dat het strand publiek bezit is en niet door particulieren kan worden verworven.

Het gerecht beoordeelt of Windward bezit heeft in de zin van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de verkeersopvatting en de aard van het goed centraal staan. Gezien het feit dat het strand algemeen bekend is als publiek terrein en dit publiekelijk kenbaar is gemaakt, leidt het feitelijk gebruik door Windward niet tot bezit.

De vordering tot eigendom wordt afgewezen. In reconventie wordt vastgesteld dat het gebouw door natrekking eigendom is geworden van het Land Aruba. Windward wordt veroordeeld in de proceskosten, met nihil voor het salaris van de gemachtigden van het Land.

Uitkomst: De vordering van Windward tot eigendom van de grond wordt afgewezen; het gebouw is eigendom van het Land Aruba door natrekking.

Uitspraak

Vonnis van 10 april 2019
Behorend bij A.R. AUA201800717
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
WINDWARD LEEWARD WATERSPORTS, TOURS & ENTERPRISES N.V.,
te Aruba,
EISERES, hierna ook te noemen: Windward,
gemachtigde: mrs. P.R.C. BROWN en M.D. TROMP,
tegen:
HET LAND ARUBA,
te Aruba,
GEDAAGDE, hierna ook te noemen: het Land,
gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ.)

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de conclusie van repliek, tevens antwoord in reconventie;
- de conclusie van dupliek, tevens repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2.DE FEITEN

2.1
Windward exploiteert op het strand in de hotel area, ter hoogte van de perceelgrens van de hotels [naam hotel 1] en [naam hotel 2] een watersportbedrijf onder de naam [naam watersport]. Voor de uitoefening van dat bedrijf is een gebouwtje opgericht.
2.2
In 1999 is het gebouwtje van Windward afgebrand en vervolgens door haar herbouwd. In het pand bevinden zich naast het watersportcentrum een winkeltje voor badkleding en watersportartikelen en een broodjeswinkel.
2.3
In 2018 heeft Windward een deel van haar gebouwtje aan een derde willen verhuren voor de exploitatie van een café. Hiertegen is door het Land middels politie interventie opgetreden.
2.4
Voor het gebruik van de grond voldoet Windward geen enige vorm van betaling aan het Land.

3.DE VORDERINGEN IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

3.1
In conventie vordert Windward (samengevat) een verklaring voor recht dat zij eigenaresse is van het stuk domeingrond waarop het gebouwtje zich bevindt, voor zien van een aantal nevenvorderingen.
3.2
Aan deze vordering legt Windward ten grondslag dat sprake is van verkrijgende verjaring op grond van art. 3:105 BW Pro en bevrijdende verjaring op grond van art. 3:306 BW Pro. Zij stelt daartoe dat zij al sedert (ten minste) 1980 op dit stukje grond haar bedrijf uitoefent en dat zij het gebouw en de grond houdt voor zichzelf. Voor verdere bedrijfsexploitatie heeft zij belang bij goederenrechtelijke vastlegging van haar eigendomsrecht.
3.3
Het Land heeft zich tegen de vordering verweerd en in de kern aangevoerd dat sprake is van een openbaar strand en dat het algemeen bekend is dat anderen dan het Land geen eigendomsrechten daarop kunnen laten gelden. De stranden zijn publiek bezit. Wel kan een precario-vergunning worden verleend voor een klein terrein/gebied. Het Land bestrijdt dat sprake is van ondubbelzinnig bezit van de grond door Windward .
3.4
In reconventie heeft het land een verklaring voor recht gevorderd dat het op het strand opgerichte gebouw middels natrekking eigendom van het Land is geworden. Windward heeft zich hiertegen verzet. Partijen verwijzen in de reconventie naar hetgeen zij in conventie hebben gesteld.

4.DE BEOORDELING

4.1
Het Gerecht dient in de kern de vraag te beantwoorden of sprake is van bezit door Windward . Hiervoor is het volgende van belang.
Uit art. 3:107 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 3:108 BW Pro volgt dat de vraag of iemand bezitter is, moet worden beantwoord naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de daaropvolgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.
Anders dan onder het recht zoals dat gold tot 1992, noemt de wet als vereisten voor bezit niet meer met zoveel woorden dat het ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ is. Echter, ook naar het huidige recht geldt dat beide eigenschappen in het wettelijk begrip ‘bezit’ besloten liggen.
‘Niet-dubbelzinnig bezit’ is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826, NJ 1993/178 (rov. 3.2)), hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden(HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309).
4.2
Het Land heeft erop gewezen dat het gebouwtje van Windward zich op publieke grond, te weten het strand, bevindt en dat het een feit van algemene bekendheid is dat deze grond niet door particulieren in eigendom kan worden verkregen. Dit standpunt is door Windward in zoverre bestreden, dat zij heeft aangevoerd dat dit geldt voor alle niet bebouwde grond in Aruba, maar dat het moet gaan om voor de buitenwereld en het Land kenbare feitelijke machtuitoefening door Windward. Bovendien is het Land nooit handhavend opgetreden.
4.3
Waar het ten deze op aankomt is de vraag of naar verkeersopvattingen, gezien de aard en de bestemming van het betrokken goed, Windward bezitter is geworden. Hiertoe overweegt het Gerecht dat het voor iedere inwoner van Aruba een bekend feit is, en daarmee in Aruba een feit van algemene bekendheid, dat de stranden van Aruba publiek c.q. openbaar zijn en niet in eigendom kunnen worden verworven. Dit wordt verstrekt door de veelvuldig geplaatste borden in de hotel area, waarin dit publieke karakter voor bezoekers van de hotels duidelijk wordt gemaakt. Voor het publiek zal bovendien het uitoefenen van een watersportbedrijfje op het strand ook niet de indruk wekken dat sprake is van bezit. Het feitelijk gebruik zelf is voorts onvoldoende om tot bezit te kunnen concluderen. Juist de locatie op het strand - waarvan voor een ieder in Aruba bekend is dat die niet kan worden verworven - leidt tot de gevolgtrekking dat van bezit geen sprake kan zijn. Reeds hierop stuit de vordering van Windward af.
4.4
De vordering in reconventie is toewijsbaar op grond van het bepaalde in de artt. 5:3 jo. 5:20 BW. De verweren van Windward zijn gelijkluidend aan haar standpunt in conventie en behoeven hier geen verdere bespreking.
4.5
Als de in het ongelijk gestelde partij zal Windward in de kosten van het geding worden veroordeeld, aan de zijde van het Land begroot op nihil voor gemachtigdensalaris, nu zij de procesvoering in eigen hand heeft gehouden.

5.DE UITSPRAAK

het Gerecht;
in conventie:
wijst de vordering af;
in reconventie:
verklaart voor recht dat de opstal waarin Windward zich bevindt, door natrekking eigendom van het Land is geworden;
in conventie en in reconventie:
veroordeelt Windward in de kosten van de procedure, aan de zijde van het Land begroot op nihil voor gemachtigdensalaris.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 10 april 2019 in aanwezigheid van de griffier.