ECLI:NL:OGEAA:2019:242
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs bij beschuldiging ontuchtige handelingen minderjarigen
De zaak betrof beschuldigingen tegen verdachte van het plegen van ontuchtige handelingen met twee minderjarige meisjes, waaronder zijn dochter. De tenlastelegging omvatte onder meer het seksueel binnendringen en betasten van de slachtoffers in de periode tussen 2010 en 2015.
Tijdens de terechtzitting op 29 maart 2019 heeft het Gerecht de verklaringen van de slachtoffers beoordeeld. Hoewel de verklaringen betrouwbaar werden geacht, ontbrak het aan voldoende steunbewijs dat de beschuldigingen kon bevestigen. Getuigenverklaringen ondersteunden slechts de context, niet de specifieke ontuchtige handelingen.
Op grond van artikel 385 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering mag een veroordeling niet uitsluitend gebaseerd zijn op de verklaring van één getuige zonder aanvullend bewijs. Het Gerecht oordeelde dat dit bewijsminimum niet was gehaald en sprak de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De voorlopige hechtenis van verdachte werd met onmiddellijke ingang opgeheven. De uitspraak werd op 18 april 2019 uitgesproken door rechter E.M.D. Angela in het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs voor de beschuldigingen van ontuchtige handelingen met minderjarigen.