Verzoekster exploiteert sinds 2007 een watersportbedrijf op Aruba en heeft meerdere jaren precariovergunningen aangevraagd en ontvangen voor het gebruik van strandgebieden. De overheid heeft in 2016 het strandenbeleid RRIS geïmplementeerd, dat strenge handhaving voorschrijft om het publieke domein te beschermen.
In de periode 2016-2019 zijn door de overheid en de strandpolitie meerdere waarschuwingen en rapportages opgesteld vanwege overtredingen van de precariovoorwaarden door verzoekster, waaronder het plaatsen van parasols en stoelen buiten de vergunninggrenzen en het veroorzaken van verstoringen van de openbare orde. Ondanks eerdere vergunningen en bezwaren heeft verzoekster zich volgens het gerecht stelselmatig niet aan de voorwaarden gehouden.
De Directie Infrastructuur en Planning (DIP) heeft daarom de precariovergunning voor 2019 geweigerd en verzoekster opgedragen het perceel te ontruimen. Verzoekster heeft hiertegen een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend. Het gerecht stelt vast dat verweerder een ruime beleidsvrijheid heeft en dat het belang van handhaving van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij het voortzetten van haar bedrijf.
Hoewel de bestreden beschikking een motiveringsgebrek vertoont, is dit niet voldoende om de weigering te vernietigen. Het verzoek tot schorsing wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De uitspraak is onherroepelijk en sluit verdere rechtsmiddelen uit.