ECLI:NL:OGEAA:2019:308
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening asiel wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, diende op 26 maart 2019 een asielaanvraag in op Aruba. Na afwijzing van dit verzoek door de minister heeft verzoeker bezwaar gemaakt en vervolgens een verzoek tot schorsing van de beschikking ingediend op grond van artikel 54 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).
Verzoeker was directeur van een basisschool en meldde in 2017 corruptie bij de schoolinspectie. Hierop volgden beschuldigingen tegen hem, aangifte en negatieve publiciteit. Na ontslag en het uiten van kritiek op de radio, werd verzoeker door leden van de gemeenschap beledigd en werd vuilnis voor zijn deur gegooid.
De minister wees het asielverzoek af omdat niet aannemelijk was dat verzoeker vervolging door de overheid vreesde. Het gerecht bevestigt dat het conflict een arbeidsconflict betreft en dat de negatieve incidenten niet door de overheid zijn veroorzaakt. Verzoeker heeft nagelaten bescherming te zoeken bij autoriteiten en kon het land legaal verlaten.
Het gerecht concludeert dat verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging heeft en ook geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De algemene veiligheidssituatie in Venezuela is zorgelijk, maar vormt geen reden om terugkeer te weigeren.
Daarom wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening tegen de afwijzing van het asielverzoek wordt afgewezen.