Eiser trad in 2007 in dienst bij DFS en werd op 12 december 2018 op staande voet ontslagen wegens vermeende werkweigering tijdens arbeidsongeschiktheid. DFS stelde dat eiser op 2 december 2018 tijdens ziekte elders had gewerkt, wat zij als dringende reden voor ontslag aanvoerde.
Eiser betwistte de feiten en stelde dat hij niet elders heeft gewerkt en dat de arbeidsongeschiktheid door de SVB was vastgesteld en bevestigd na meerdere controles. Het gerecht oordeelde dat DFS onvoldoende bewijs had geleverd dat eiser daadwerkelijk arbeidsgeschikt was op de betreffende datum en dat het aan DFS was om dit te bewijzen.
Daarbij stelde het gerecht dat een werkgever niet zelf mag oordelen over arbeidsongeschiktheid zonder bedrijfsarts te raadplegen, wat DFS niet had gedaan. Hierdoor was het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd en werd het ontslag nietig verklaard.
Het gerecht kende eiser wedertewerkstelling toe, evenals doorbetaling van loon vanaf de ontslagdatum, vermeerderd met een gematigde wettelijke verhoging en wettelijke rente. DFS werd veroordeeld in de proceskosten en aan eiser werd verlof verleend om kosteloos te procederen.