ECLI:NL:OGEAA:2019:534

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
7 augustus 2019
Publicatiedatum
29 augustus 2019
Zaaknummer
AUA201902321
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 LarArt. 15 Ltu
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbevel wegens illegaal verblijf

Verzoekster, van Venezolaanse nationaliteit, verbleef sinds 2 maart 2017 zonder geldige verblijfsvergunning in Aruba. Na afwijzing van haar eerdere aanvraag tot tijdelijk verblijf en het opleggen van een terugkeerverbod, werd een uitzettingsbevel tegen haar uitgevaardigd. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit bevel en vroeg om een voorlopige voorziening om de uitzetting te schorsen, zodat zij in Aruba kon blijven wachten op de beslissing op haar bezwaar.

De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) de minister bevoegd is tot uitzetting van personen zonder geldige verblijfsvergunning. Verzoekster had niet aannemelijk gemaakt dat haar aanvraag om verblijf alsnog zou worden ingewilligd, mede omdat het beleid is dat eerste aanvragen worden afgewezen als de vreemdeling de beslissing niet in het buitenland afwacht. De aanvraag van 21 juni 2019 was inmiddels ook afgewezen.

Daarnaast faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat verzoekster niet kon aantonen dat zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de minister geen uitzettingsbevel zou geven. Gezien deze omstandigheden bestond geen grond voor schorsing van het uitzettingsbevel. Het verzoek werd daarom afgewezen. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor beroep.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van het uitzettingsbevel wordt afgewezen.

Uitspraak

Uitspraak van 7 augustus 2019
Lar nr. AUA201902321

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van Pro de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[ Verzoekster ],

van Venezolaanse nationaliteit,
VERZOEKSTER,
gemachtigde: J.J.C. Odor, LLM,
gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mr. V.M. Emerencia (DWJZ) en mr. M.D. van Wilgen (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij bevelschrift van 8 juli 2019 (bestreden beschikking) heeft verweerder de uitzetting van verzoekster bevolen.
Tegen deze beschikking heeft verzoekster op 10 juli 2019 bezwaar gemaakt.
Op 11 juli 2019 heeft verzoekster bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 54 van Pro de Lar ingediend.
Verzoekster en verweerder hebben nadere stukken ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 31 juli 2019. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder bij zijn gemachtigden.
Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

1.1
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
1.2
Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) kunnen uitgezet worden personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen, nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige andere oorzaak is vervallen.
Feiten
2.1
Op 18 augustus 2016 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een vergunning tot tijdelijk verblijf.
2.2
Bij beschikking van 3 oktober 2016 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.
2.3
Op 24 oktober 2016 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de onder 2.2 vermelde beschikking.
2.4
In 2016 is verzoekster uit Aruba verwijderd en is aan haar een terugkeerverbod opgelegd van achttien maanden.
2.5
Verzoekster is op 1 februari 2017 Aruba binnengekomen als toerist met een toegestane verblijfsduur van achtentwintig dagen.
2.6
Bij bevelschrift van 7 augustus 2018 heeft verweerder de verwijdering van verzoekster bevolen. De verwijdering is niet uitgevoerd.
2.7
Tegen het uitblijven van een beslissing op het onder 2.3 vermelde bezwaarschrift heeft verzoekster op 20 juni 2019 een beroepschrift ingediend.
2.8
Op 21 juni 2019 heeft verzoekster een aanvraag ingediend voor een vergunning tot tijdelijk verblijf.
2.9
Bij de bestreden beschikking heeft verweerder de uitzetting van verzoekster bevolen.
2.1
Hiertegen heeft verzoekster op 10 juli 2019 bezwaar gemaakt.
2.11
Aan verzoekster is op 12 juli 2019 een meldplicht opgelegd.
2.12
Bij beschikking van 22 juli 2019 heeft verweerder de onder 2.8 vermelde aanvraag afgewezen.
De standpunten van partijen
3.1
Verweerder heeft aan het bevel tot uitzetting onder meer ten grondslag gelegd dat verzoekster:
- sinds 2 maart 2017 niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel;
- niet staat ingeschreven in de registers;
Bovendien behoeft haar illegale verblijf in Aruba niet te worden gedoogd.
3.2
Het verzoek strekt tot schorsing van de bestreden beschikking, opdat verzoekster de beslissing op het daartegen ingediende bezwaarschrift in Aruba kan afwachten. Aan dat verzoek heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat ten tijde van de bestreden beschikking haar aanvraag om een vergunning tot tijdelijk verblijf bij verweerder aanhangig was en dat DPL een positief advies heeft afgegeven. Verder doet verzoekster een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij voert in dit verband aan dat zij er gelet op een door de ambtsvoorganger van verweerder gegeven toezegging op mocht vertrouwen dat een eerdere verwijdering uit Aruba haar niet zou worden tegengeworpen bij de beslissing op haar aanvraag om een vergunning tot tijdelijk verblijf.
Beoordeling
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
5. Vast staat dat verzoekster sinds 2 maart 2017 zonder geldige verblijfstitel in Aruba verblijft, zodat verweerder op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Ltu bevoegd is verzoekster uit te zetten.
6. De voorzieningenrechter ziet voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het geven van een bevel tot uitzetting. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar aanvraag uiteindelijk zal worden ingewilligd, reeds omdat aan verzoekster niet eerder een vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend en verweerder het beleid voert dat eerste aanvragen om vergunningen tot tijdelijk verblijf worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling de beslissing daarop niet in het buitenland afwacht. Overigens heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 21 juni 2019 inmiddels afgewezen (zie 2.12).
7. Voor zover verzoekster zich beroept op het vertrouwensbeginsel, faalt dat beroep reeds omdat verzoekster niet heeft betoogd dat en waarom zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat verweerder geen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om haar uit te zetten.
8. Gezien het voorgaande bestaat er geen grond voor schorsing van de bestreden beschikking. Het verzoek wordt afgewezen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2019 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.