ECLI:NL:OGEAA:2019:635
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren vreemdelingenbewaring en uitzettingsinspanningen
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, is sinds 29 mei 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld op bevel van de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie. De rechtmatigheid van deze vrijheidsontneming is reeds door de rechter-commissaris bevestigd. Verzoeker heeft op 10 september 2019 een verzoek ingediend op grond van artikel 16, derde lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu), waarin hij betoogt dat de bewaring onrechtmatig is vanwege de duur en het gebrek aan voortvarendheid bij de uitzetting.
Tijdens de zitting van 25 september 2019 is gebleken dat verzoeker vanaf 21 augustus 2019 uitzetbaar is, nadat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een interim measure had afgewezen. Verweerder stelt dat verzoeker niet meewerkt aan zijn vertrek, onder meer doordat hij geen vliegticket heeft verstrekt. De rechter-commissaris stelt vast dat de bewaring niet onrechtmatig is vanwege het tijdsverloop en dat verzoeker de plicht heeft mee te werken aan zijn uitzetting, nu zijn asielverzoek is afgewezen.
De rechter-commissaris weegt de belangen en concludeert dat het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is. De mededeling van de Guarda Nos Costa over gesprekken met vreemdelingen over vertrek wordt als betrouwbaar beschouwd, hoewel het wenselijk is deze gesprekken schriftelijk vast te leggen. Het verzoek tot opheffing van de inbewaringstelling wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de vreemdelingenbewaring wordt afgewezen omdat de bewaring niet onrechtmatig is.