ECLI:NL:OGEAA:2020:136

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
15 april 2020
Publicatiedatum
24 april 2020
Zaaknummer
AUA201902394
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen huurder wegens vrijwillig vertrek ondanks ongeldige opzegging verhuurder

In deze civiele huurzaak vordert de huurder dat de verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en verhuiskosten wegens vermeende wanprestatie. De huurder erkent dat de opzegging van de huur door de verhuurder niet rechtsgeldig was omdat geen toestemming van de Huurcommissie was verkregen.

Desondanks heeft de huurder ervoor gekozen het appartement vrijwillig te verlaten vanwege een andere woning en een verslechterde relatie met de verhuurder. Hierdoor heeft de huurder de verhuurder de mogelijkheid ontnomen om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.

De rechtbank oordeelt dat dit vrijwillige vertrek aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat. Bovendien is de schadevergoeding onvoldoende concreet gespecificeerd. De vorderingen worden daarom afgewezen en de huurder wordt in de proceskosten veroordeeld, die nihil worden begroot omdat de verhuurder geen professionele rechtsbijstand had.

Uitkomst: Vorderingen van huurder wegens wanprestatie en schadevergoeding worden afgewezen vanwege vrijwillig vertrek ondanks ongeldige opzegging.

Uitspraak

Vonnis van 15 april 2020
Behorend bij A.R. nr. AUA201902394
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te Aruba,
eiser,
hierna ook te noemen: [Eiser],
procederend in persoon,
tegen:
[Gedaagde],
wonende te Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: [Gedaagde],
procederend in persoon.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure tot 27 november 2019 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen na antwoord heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Partijen zijn ter zitting verschenen. Zij hebben over en weer het woord gevoerd, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
1.2 [
Eiser] heeft ter zitting de in het petitum van zijn verzoekschrift onder 4. en 5. omschreven vorderingen ingetrokken.
1.3
Vonnis is bepaald op heden.

2.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [
Eiser] vordert na vermindering van eis dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij vonnis kosten rechtens:
a. voor recht verklaart dat [gedaagde] als verhuurder wanprestatie heeft gepleegd jegens [eiser] als huurder;
b. [Gedaagde] op grond van die wanprestatie veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser];
c. [Gedaagde] veroordeelt om de verhuiskosten van [eiser] te betalen, zowel wat betreft de opruimingskosten van de van [gedaagde] gehuurde woning alsmede de inrichtingskosten van de nieuwe woning van [eiser];
d. [Gedaagde] veroordeelt tot betaling van “
het dubbele huur van juli 2019, te noemen 750 florin.”.
2.2 [
Gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van het door [eiser] verzochte.

3.DE VERDERE BEOORDELING

3.1
Het Gerecht volhardt in zijn in het tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen.
3.2.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.
3.2.2
Krachtens een tussen partijen gesloten huurovereenkomst huurde [eiser] vanaf 15 februari 2017 een aan [gedaagde] toebehorend bij partijen genoegzaam bekend appartement (hierna: het appartement) tegen een maandelijkse huur van Afl. 750,-- telkens te vermeerderen met Afl. 50,-- aan servicekosten (het gebruik van internet).
3.2.3
Bij schrijven van 1 juni 2019 heeft [gedaagde] de huur van het appartement opgezegd tegen 1 augustus 2019. [Gedaagde] had voor die opzegging toestemming gevraagd noch verkregen van de Huurcommissie.
3.2.4 [
Eiser] heeft het appartement verlaten per 1 juli 2019; hij heeft per die datum een andere woning betrokken.
3.3
In het licht van voormelde feitelijkheden heeft [eiser] ter zitting erkend dat hij wist dat de opzegging van de huur door [gedaagde] niet rechtsgeldig was omdat [gedaagde] niet beschikte over de daartoe wettelijk vereiste toestemming van de Huurcommissie. Tegen die achtergrond heeft [eiser] verklaard dat hij er zelf voor heeft gekozen om het appartement te verlaten omdat hij een andere woning aangeboden had gekregen en het volgens hem - gelet op de verstoorde of verslechterde relatie met [gedaagde] - het beste was om te vertrekken. Dat rechtens ongedwongen en dus vrijwillige vertrek van [eiser] uit het appartement van [gedaagde] staat aan toewijzing van het hiervoor onder c. en d. verzochte - wat van die vorderingen verder ook zij - in de weg. Die vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
3.4.1
In het licht van overweging 2.6.1 van het tussenvonnis heeft [eiser] ter zitting gesteld dat [gedaagde] ter zake van de in het verzoekschrift omschreven beweerdelijke verhuurderstekortkomingen op de voet van artikel 6:83 BW Pro aanhef sub c. zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt, omdat uit de hiervoor onder 3.2.3 vermelde opzeggingsbrief van [gedaagde] volgt dat hij niet van plan was ter zake van die tekortkomingen zijn verplichtingen als huurder jegens [eiser] alsnog na te komen. Die stelling volgt het Gerecht niet, omdat bedoelde opzegging niet rechtsgeldig was hetgeen [eiser] naar eigen zeggen wist. In plaats van [gedaagde] daarop te wijzen en hem ter zake van de beweerdelijke tekortkomingen in gebreke te stellen, heeft [eiser] er om voor hem moverende redenen voor gekozen vrijwillig het appartement te verlaten. Zodoende heeft [eiser] [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen om ter zake van de beweerdelijke verhuurderstekortkomingen alsnog naar behoren te presteren. Dit één en ander brengt mee dat de vordering onder a. zal worden afgewezen, in welk lot de vordering onder b. deelt.
3.4.2
Los van vorenstaande moet de vordering onder b. worden afgewezen omdat die vordering vaag en onbepaalbaar is. Het had te dien aanzien op de weg van [eiser] gelegen om een concreet en gesubstantieerd bedrag aan schadevergoeding te vorderen.
3.5 [
Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil omdat [gedaagde] in deze procedure niet werd bijgestaan door een daartoe door het Hof toegelaten professionele rechtsbijstandverlener.

4.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
-wijst af het door [eiser] verzochte;
-veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 april 2020 in aanwezigheid van de griffier.