Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE FEITEN
3.DE BEOORDELING
verzocht is, hangende het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een of meer van zijn kinderen kan schorsen.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Het openbaar ministerie verzocht om bekrachtiging van de voorlopige toevertrouwing van een minderjarige aan de Voogdijraad, nadat het gezag van de moeder op 24 januari 2020 was onttrokken. De minderjarige verbleef bij haar peettante. De moeder oefent het gezag uit, maar de minderjarige woont niet bij haar.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de Voogdijraad nog niet had besloten of zij een verzoek tot ondertoezichtstelling of tot ontheffing/ontzetting van de moeder zou indienen. De rechter overwoog dat voorlopige toevertrouwing niet passend is indien een ondertoezichtstelling wordt beoogd. Bovendien ontbraken feiten die een ontzetting of schorsing van het gezag van de moeder rechtvaardigen.
Het rapport van de Voogdijraad meldde zorgen over de opvoeding, bereikbaarheid en veiligheid van de minderjarige, waaronder een mogelijke ontuchtige benadering door de partner van de moeder. Deze feiten waren echter onvoldoende bewezen en niet zwaar genoeg om voorlopige toevertrouwing te rechtvaardigen. Het gerecht benadrukte dat minder ingrijpende maatregelen zoals VOTS of OTS beschikbaar zijn om hulp te bieden.
Daarom wees het gerecht de vordering af en handhaafde de situatie zonder voorlopige toevertrouwing, met behoud van de mogelijkheid voor minder ingrijpende beschermingsmaatregelen.
Uitkomst: De vordering tot bekrachtiging van voorlopige toevertrouwing van de minderjarige aan de Voogdijraad is afgewezen wegens onvoldoende gronden voor schorsing of ontzetting van de moeder uit het gezag.