De zaak betreft een verdachte die werd verdacht van witwassen van een bedrag van $109.700,- dat hij bij zich had bij aankomst in Aruba. De verdachte verklaarde het geld te hebben gespaard uit legale inkomsten, waaronder salaris als docent, verhuur van onroerend goed en goudhandel. Hij overhandigde bij de douane het bedrag en gaf een verklaring over de herkomst, ondersteund door documenten zoals bankafschriften en een factuur.
Het Openbaar Ministerie vorderde een veroordeling en verbeurdverklaring van het geld, maar het Gerecht stelde vast dat er geen direct bewijs was voor een concreet gronddelict. Hoewel er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestond, had de verdachte een concrete en min of meer verifieerbare verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Het OM had nagelaten nader onderzoek te verrichten naar deze verklaring.
Het Gerecht oordeelde dat het niet met voldoende zekerheid was vastgesteld dat het geld van misdrijf afkomstig was en sprak de verdachte vrij. Tevens werd gelast het geldbedrag aan de verdachte terug te geven, omdat het niet vatbaar was voor verbeurdverklaring.