ECLI:NL:OGEAA:2020:240

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
11 juni 2020
Zaaknummer
AUA201904188
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1613y BW ArubaComptabiliteitsverordening 1989
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst na 31 mei 2019 onverkort geldig verklaard

Verzoeker, een ICT-medewerker, had een arbeidsovereenkomst met het Land Aruba die aanvankelijk voor één jaar gold van 1 december 2015 tot 30 november 2016. Deze overeenkomst werd stilzwijgend telkens met een jaar verlengd. Na 30 november 2018 bleef verzoeker zijn werkzaamheden voortzetten, waarbij hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een verlenging tot 1 december 2019.

Het Land Aruba stelde dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2019 zou eindigen, mede gebaseerd op een vermelding op een loonstrook van mei 2019. Het Gerecht oordeelde echter dat deze eenzijdige rechtshandeling het gerechtvaardigde vertrouwen van verzoeker niet kon doorbreken, zeker omdat het Land niet had gesteld dat eerdere loonstroken een dergelijke einddatum vermeldden.

De primaire vordering van verzoeker om verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst onverkort geldig bleef na 31 mei 2019 tot 1 december 2019 werd toegewezen. De subsidiaire vordering tot schadevergoeding en uitbetaling van vakantiedagen werd afgewezen. Het Land werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst van verzoeker bleef onverkort geldig tot 1 december 2019.

Uitspraak

Beschikking van 9 juni 2020
Behorend bij E.J. no. AUA201904188
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING in de zaak van:
[Naam Verzoeker],
wonende in Aruba,
verzoeker,
hierna ook te noemen: [Verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. H.U. Thielman,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
HET LAND ARUBA,
zetelend in Aruba,
verweerder,
hierna ook te noemen: het Land,
gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-het verzoekschrift, met producties;
-het verweerschrift, met producties;
-de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van dinsdag 18 februari 2020 om 11:30 uur.
1.2 [
Verzoeker] is samen met zijn gemachtigde ter zitting verschenen, en het Land is verschenen bij zijn gemachtigde. [Verzoeker] heeft gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om bij wijze van repliek te reageren op het verweerschrift, en dat mede aan de hand van een voorgedragen en overgelegde pleitnota, voorzien van toegelaten nadere producties. Het Land heeft vervolgens gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om bij wijze van dupliek te reageren op het repliek van [verzoeker], en dat eveneens mede aan de hand van een voorgedragen en overgelegde pleitnota voorzien van toegelaten nadere producties.
1.3 [
Verzoeker] heeft ter zitting verzocht zijn eis te mogen vermeerderen/wijzigen. Het daartegen door het Land opgeworpen bezwaar heeft het Gerecht terstond gegrond verklaard. Het had immers op de weg van [verzoeker] gelegen om die vermeerdering van eis voor de zitting tijdig kenbaar te maken aan het Land, zodat die besproken had kunnen worden binnen de gelederen van het Land. Toelating van bedoelde eiswijzing zou het Land ontoelaatbaar schaden in zijn verdedigingsbelangen, hetgeen niet in overeenstemming is met de goede procesorde.
1.4 [
Verzoeker] heeft ter zitting zijn primaire eis verminderd, in die zin dat het in het petitum van het verzoekschrift vermelde “
en/of dat het dienstverband van Verzoeker - conform het besluit zijdens overheid d.d.d 18 november 2018 - dient te worden omgezet in een benoeming tot ambtenaar in vaste dienst” komt te vervallen.
1.5
Beschikking is nader bepaald op heden.

2.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [
Verzoeker] verzoekt na vermindering van eis dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking kosten rechtens:
primair
a. voor recht verklaart dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst na 10 juni 2019 althans 31 mei 2019 onverkort geldig is;
subsidiair
b. het Land veroordeelt om aan [verzoeker] te betalen een schadevergoeding, alsmede tot uitbetaling van niet genoten vakantiedagen.
2.2
Het Land voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [verzoeker] verzochte, kosten rechtens.
2.3
Voorzover van belang voor de uitkomst van deze procedure worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3.DE BEOORDELING

3.1.1
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.
3.1.2 [
Verzoeker] is op grond van een met het Land op 2 februari 2016 gesloten arbeidsovereenkomst per 1 december 2015 als ICT-medewerker in loondienst getreden van het Land (hierna: de aanvankelijke arbeidsovereenkomst. Artikel 1 sub Pro 3 van die overeenkomst luidt als volgt: “
Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 1 jaar, derhalve van rechtswege eindigend op 30 november 2016 zonder verplichting tot voorgaande (schriftelijke) opzegging en/of -mededeling door werkgever.”. Die overeenkomst bepaalt verder het volgende:

(…). Dat op grond van artikel 22, eerste en tweede lid van de Comptabiliteitsverordening 1989 (…) de minister, namens het Land, privaatrechtelijke overeenkomsten kan aangaan, voor een periode van niet langer dan vijf jaren;
(…)
Dat op grond van artikel 1613y, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek van Aruba, de bepalingen van de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek van Aruba niet van toepassing zijn op personen in dienst van de overheid, tenzij deze bepalingen uitdrukkelijk in deze overeenkomst van toepassing worden verklaard.”.
3.2
Niet in geschil is tussen partijen dat de aanvankelijke één jaar durende arbeidsovereenkomst na ommekomst daarvan telkens stilzwijgend is verlengd. Uit de aard daarvan volgt dat telkens sprake was een verlenging van één jaar, zolang partijen voordien niet anders hadden afgesproken. Dat partijen voordien anderszins hadden afgesproken is niet gesteld door het Land. Dit één en ander brengt mee dat toen [verzoeker] na 30 november 2018 stilzwijgend zijn werkzaamheden had voortgezet voor het Land, hij vanaf dat moment er in elk geval gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat wederom sprake was van verlenging van de aanvankelijke arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Dat gerechtvaardigde vertrouwen kan onmogelijk teniet worden gedaan door latere eenzijdige rechtshandelingen van de zijde van het Land, zoals de hierna omschreven vermelding op de loonstrook van [verzoeker] over mei 2019 (indien en voorzover die vermelding al als rechtshandeling heeft te gelden).
3.3
Vorenstaande leidt tot de slotsom dat de per 1 december 2018 andermaal stilzwijgend verlengde aanvankelijke arbeidsovereenkomst onverkort doorliep op 1 juni 2019 en van rechtswege is geëind op 1 december 2019. De primaire vordering van [verzoeker] zal in die zin worden toegewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen. Het Land heeft met name niet gesteld dat het reeds op meerdere aan [verzoeker] voor december 2018 verstrekte loonstroken heeft laten vermelden “
einde werk 31/05/2019”, zoals staat vermeld op de door het Land overgelegde loonstrook van [verzoeker] over mei 2019. Had dat wel het geval geweest, had het Land bij uitgebleven protesten daartegen van [verzoeker] er wellicht gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zijn dienstverband was verlengd van 1 december 2018 tot 1 juni 2019, en dat het per die laatste datum van rechtswege zou eindigen. Van dit alles is echter geen sprake.
3.4
Nu de primaire vordering van [verzoeker] zal worden toegewezen, behoeft zijn subsidiaire vordering - wat van die vordering ook zij - geen bespreking.
3.5
Het Land zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verzoeker], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 50,-- aan verschotten (griffiegeld) en Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 5).

4.DE BESLISSING

Het Gerecht:
-verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten aanvankelijke arbeidsovereenkomst ook na 31 mei 2019 (tot 1 december 2019) onverkort geldig was;
-wijst af het door meer of anders door [verzoeker] verzochte;
-veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [verzoeker], tot aan deze uitspraak begroot op 50,-- aan verschotten en Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 juni 2020.