ECLI:NL:OGEAA:2020:278

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
15 juli 2020
Zaaknummer
AUA201803065
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over omgangsrecht onder supervisie en veiligheidstraject voor minderjarigen

In deze zaak staat de vraag centraal of het aan de moeder ontzegde omgangsrecht met haar minderjarige kinderen gewijzigd kan worden. De moeder verzoekt om het omgangsrecht onder supervisie te laten plaatsvinden, bij voorkeur begeleid door een ander familielid dan de grootmoeder van vaderszijde, om zo de moeder-kind band te versterken.

Het gerecht overweegt dat het omgangsrecht een fundamenteel recht is, dat alleen bij zwaarwegende belangen van het kind kan worden beperkt. Uit het psychologisch rapport van de Voogdijraad en de zitting blijkt dat de omgang met de moeder spanning veroorzaakt bij de kinderen en dat er wantrouwen en onzekerheid bestaat. De minderjarigen willen een beperkte omgang onder supervisie.

De moeder heeft tot nu toe onder toezicht van de grootmoeder beperkt omgang gehad en wenst dit onder begeleiding van een ander persoon voort te zetten om meer vertrouwen op te bouwen. Het gerecht verzoekt daarom de Voogdijraad een veiligheidstraject te starten en te onderzoeken wie als omgangsbegeleider kan optreden. De zaak wordt aangehouden tot overlegging van het rapport.

Uitkomst: Het gerecht verzoekt de Voogdijraad een veiligheidstraject te starten en houdt verdere beslissing aan tot overlegging van het rapport.

Uitspraak

Beschikking van 7 juli 2020
behorend bij EJ nr. AUA201803065
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak tussen:
[verzoekster],
wonende in Aruba,
VERZOEKSTER, hierna: de moeder,
gemachtigde: de advocaat mr. lic. B.M. de Sousa,
tegen:
[verweerder],
wonende in Aruba, [woonadres],
VERWEERDER, hierna: de vader,
niet verschenen.
Belanghebbenden:
[naam minderjarige 1],
[naam minderjarige 2], de minderjarigen.

1.HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van dit gerecht van 15 januari 2019.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het psychologisch rapport van de Voogdijraad van 13 maart 2020,
- de mondelinge behandeling ter zitting van 16 juni 2020, waar is verschenen de moeder in persoon en bijgestaan door haar gemachtigde. Ter zitting was tevens aanwezig, de raadsonderzoeker van de Voogdijraad, mevrouw [naam raadsonderzoeker].
De uitspraak .

2.DE VERDERE BEOORDELING

Omgang

2.1
Het gerecht staat voor de vraag of de aan de moeder bij beschikking van 22 november 2016 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie ontzegde omgang met de minderjarigen, met toepassing van artikel 1:377e BW gewijzigd dient te worden.
De moeder meent dat deze regeling gewijzigd dient te worden en heeft tevens verzocht om de omgang te laten plaatsvinden onder supervisie door een familielid. Moeder is bereid om hieraan mee te werken.
2.2
Het gerecht overweegt dat het omgangsrecht zoals neergelegd in artikel 1:377a BW een fundamenteel recht is van ouder en kind. Alleen zwaarwegende belangen van het kind of ernstige bezwaren van het kind tegen die omgang kunnen leiden tot ontzegging.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk naar voren gekomen dat de omgang met de moeder veel spanning geeft bij de minderjarigen. Ze hebben nog weinig vertrouwen in hun moeder. Ze zijn huiverig om zonder supervisie of grenzen contact met moeder te hebben gezien ze zich de slechte ervaringen in het verleden ook nog kunnen herinneren.
De Voogdijraad heeft in zijn rapport geadviseerd om de moeder-kind band te behouden en te versterken. Volgens het rapport hebben de minderjarigen aangegeven een beperkte omgang met moeder te willen hebben.
2.3
Uit het vorenstaande is het gerecht van oordeel dat er gelet op de heftige gebeurtenissen in het verleden en de summiere omgang tussen de moeder en de minderjarigen nog steeds sprake is van wantrouwen en onzekerheid bij de minderjarigen in de contacten met moeder. Daardoor zijn de vader en grootmoeder vaderszijde nog heel voorzichtig ten aanzien van de begeleide omgang van de moeder met de minderjarigen. Tot nog toe heeft de moeder beperkt omgang mogen hebben met de minderjarigen onder supervisie van genoemde grootmoeder. De moeder begrijpt dat zij in het belang van de minderjarigen voorlopig nog alleen omgang onder toezicht kan hebben.
Zij wil echter graag begeleide omgang met veilige afspraken door een ander persoon dan grootmoeder, niet uit kritiek op de grootmoeder, maar om meer ruimte te creëren voor het opbouwen van een betere moederband met de minderjarigen en daardoor ook vertrouwen bij alle betrokkenen op te bouwen. Een veiligheidstraject zal met alle betrokkenen goed moeten worden afgestemd.
Aan de Voogdijraad wordt daarom verzocht om een veiligheidstraject op te starten en bij zijn onderzoek tevens de vraag te beantwoorden op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan het omgangsrecht van de moeder onder supervisie. Daarbij dient de Voogdijraad specifiek te onderzoeken wie in het belang van de minderjarigen als omgangsbegeleider zou kunnen optreden.
2.4
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.DE BESLISSING

Het gerecht:
verzoekt de Voogdijraad om onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen en daarover een rapport uit te brengen, waarin de hierboven in overweging 2.3 geformuleerde vraag te worden beantwoord,
verwijst de zaak naar de rolzitting van
dinsdag 1 september 2020 om 8.30 uurvoor overlegging van bovenbedoeld rapport door de Voogdijraad,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.J. Keltjens, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag 7 juli 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.