In deze arbeidsrechtelijke procedure vordert verzoekster betaling van niet uitbetaalde lonen en fooien van verweerster, terwijl verweerster in reconventie terugbetaling van voorschotten en lesgeld eist. Het Gerecht stelt vast dat de aard van de overeenkomst niet relevant is voor de beoordeling van de vorderingen.
Het Gerecht bepaalt dat verzoekster haar vorderingen met concrete specificaties moet onderbouwen, zodat verweerster hiertegen gericht verweer kan voeren. Verweerster krijgt vervolgens de gelegenheid om haar tegenvorderingen, inclusief bewijs van betaalde voorschotten en overeenkomsten over het lesgeld, te concretiseren.
De ontvankelijkheid van de reconventionele vordering wordt bevestigd. Beide partijen krijgen tot 10 november 2020 de gelegenheid om hun stellingen nader te onderbouwen. De beslissing wordt aangehouden totdat deze aanvullende stukken zijn ingediend en beoordeeld.