ECLI:NL:OGEAA:2020:470

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
11 november 2020
Publicatiedatum
25 november 2020
Zaaknummer
AUA201700384
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak over scheiding en deling van ontbonden huwelijksgemeenschap met toewijzing en overbedeling

Het geschil betreft de scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgemeenschap tussen eiseres en gedaagde. De procedure omvatte bewijslevering en getuigenverhoren, waarbij onduidelijkheid bestond over huurinkomsten uit een appartement. Het Gerecht concludeerde dat eiseres niet heeft bewezen dat gedaagde meer huurinkomsten heeft ontvangen dan erkend.

De inboedel van de echtelijke woning wordt toegewezen aan gedaagde, zonder dat sprake is van overbedeling vanwege onbekende actuele waarde. Diverse financiële posten, zoals borgstelling, verkoopopbrengsten, belastingrestituties, huurinkomsten en hypothecaire lening, worden verdeeld en/of toegewezen met bijbehorende veroordelingen tot betaling van overbedelingen.

De woning moet worden verkocht via een makelaar met een bodemprijs van Afl. 235.000,--, met een mogelijkheid tot onderhandse verkoop gedurende negen maanden. Na deze termijn kan ieder der partijen de woning openbaar verkopen zonder toestemming van de ander. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het Gerecht wijst de verdeling en toewijzing van de ontbonden huwelijksgemeenschap toe met veroordelingen tot betaling van overbedelingen en bepaalt de verkoop van de woning.

Uitspraak

Vonnis van 11 november 2020
Behorend bij A.R. no. AUA201700384
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS in de zaak van:
[naam eiseres],
wonende in Aruba,
eiseres,
hierna ook te noemen: [eiseres],
gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,
tegen:
[naam gedaagde],
wonende in Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa.

1.HET PROCESVERLOOP

1.1
Het procesverloop tot en met 2 oktober 2019 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van bewijslevering zijdens [eiseres] van 31 oktober 2019, waarin onder meer is opgenomen de verklaring van [gedaagde] dat hij geen contra-enquête wenst te houden.
1.2
In voormeld proces-verbaal staat abusievelijk vermeld “
getuigenverhoor zijdens gedaagde”. Aldaar moet verbeterd worden gelezen: “getuigenverhoor zijdens eiseres”.
1.3
Vonnis is nader bepaald op heden.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
Het Gerecht volhardt in zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen.
2.2
De thans te beantwoorden vraag is of [eiseres] al dan niet heeft bewezen dat [gedaagde] in de periode van 10 februari 2015 tot 2 oktober 2019 naast het door hem erkende bedrag ad Afl. 800,-- ook nog in totaal Afl. 23.200,-- heeft ontvangen uit hoofde van verhuur van het appartement. Die vraag moet naar het oordeel ontkennend worden beantwoord omdat geen van de twee door [eiseres] voorgebrachte en gehoorde getuigen heeft verklaard dat dit het geval is.
2.3
Ter zake van de inboedel van de echtelijke woning van partijen heeft [eiseres] onbestreden voorgesteld dat die moet worden toebedeeld aan de aldaar wonende [gedaagde]. Het Gerecht zal aldus beslissen. Nu [eiseres] noch [gedaagde] heeft gesteld wat de actuele waarde is van die inboedel, is die waarde kennelijk van geringe betekenis. In dat verband kan een veroordeling van [gedaagde] uit hoofde van overbedeling achterwege blijven.
2.4
Vorenstaande leidt met inachtneming van de overwegingen en beslissingen in de tussenvonnis tot de navolgende uitspraak.
2.5
In de aard van deze procedure ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren tussen partijen als na te melden.

3.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
3.1.1
de in het tussenvonnis van 8 mei 2019 onder 3.5 omschreven borgstelling wordt toebedeeld aan [eiseres];
3.1.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] ten titel van overbedeling te betalen Afl. 1.431,--, te vermeerderen met de helft van hetgeen [eiseres] uit hoofde van voormelde borgstelling na juli 2015 heeft betaald aan Island Finance;
3.2.1
de in het tussenvonnis van 8 mei 2019 onder 3.2 sub d. vermelde verkoopopbrengst ad Afl. 500,-- wordt toebedeeld aan [gedaagde];
3.2.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] ten titel van overbedeling te betalen
Afl. 250,--;
3.3
bepaalt dat de in het tussenvonnis van 8 mei 2019 onder 3.2 sub e. vermelde belastingrestituties bij helfte moeten worden verdeeld tussen partijen;
3.4.1
de in het tussenvonnis van 8 mei 2019 onder 3.9 omschreven door [gedaagde] ontvangen huur ad Afl. 800,-- wordt toebedeeld aan [gedaagde];
3.4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] ten titel van overbedeling te betalen
Afl. 400,--;
3.5
veroordeelt [gedaagde] in het licht van rechtsoverweging 2.2 van het tussenvonnis van 2 oktober 2019 om aan [eiseres] te betalen - ten titel van vergoeding voor het uitsluitend gebruik door [gedaagde] van de echtelijke woning van partijen gedurende de periode vanaf 10 februari tot en met oktober 2019 - Afl. 24.879,12, te vermeerderen met Afl. 444,27 voor iedere na oktober 2019 gelegen maand dat [gedaagde] die woning met uitsluiting van [eiseres] bewoont;
3.6.1
de in het tussenvonnis van 8 mei 2019 onder 3.2 sub b. vermelde hypothecaire lening wordt toebedeeld aan [eiseres];
3.6.2
veroordeelt [gedaagde] in het licht van rechtsoverweging 2.4 van het tussenvonnis van 2 oktober 2019 om aan [eiseres] ten titel van overbedeling ter zake van voormelde lening te betalen Afl. 21.537,--, te vermeerderen met de helft van hetgeen [eiseres] na augustus 2019 aan hypothecaire aflossing heeft betaald aan het APFA, te verminderen met de helft van hetgeen [gedaagde] na augustus 2019 aan hypothecaire aflossing heeft betaald aan het APFA;
3.7
bepaalt dat de in het tussenvonnis van 8 mei 2019 onder 3.2 sub a. omschreven echtelijke woning van partijen (hierna: de woning) moet worden verkocht en bepaalt voorts dat de netto verkoopopbrengst daarvan verminderd met de dan nog resterende aan APFA te betalen hypothecaire schuld bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen;
3.8
bepaalt dat de woning in de verkoop wordt gezet bij makelaardij Aruba Living Today;
3.9
bepaalt de bodemprijs van de woning waarvoor die moet worden verkocht zodra een derde dat bedrag biedt op Afl. 235.000,--;
3.1
bepaalt voorts dat (1) de woning gedurende negen maanden na de uitspraak van dit vonnis onderhands mag worden verkocht, en (2) dat na ommekomst van die periode dat nog steeds mag (met inachtneming van voormelde bodemprijs) met dien verstande dat alsdan ieder der partijen bevoegd is om zonder toestemming van de ander de woning in het openbaar (ter veiling/findishi) te doen verkopen;
3.11
de zich in de woning bevindende van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen deel uitmakende inboedel wordt toebedeeld aan [gedaagde], terwijl [gedaagde] te dezen niets verschuldigd is aan [eiseres] uit hoofde van overbedeling;
3.12
verklaart dit vonnis waar rechtens toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad;
3.13
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt;
3.14
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.