ECLI:NL:OGEAA:2020:518

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
2 december 2020
Publicatiedatum
14 december 2020
Zaaknummer
AUA201901222
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 lid 1 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling lening en rente afgewezen voor buitengerechtelijke incassokosten

Island Finance Aruba N.V. heeft een leningsovereenkomst gesloten met gedaagde waarbij een bedrag van Afl. 15.214,79 werd geleend en terugbetaling in 48 termijnen werd overeengekomen. Na wanbetaling vorderde Island Finance betaling van de hoofdsom, rente en incassokosten.

Gedaagde erkende de lening en hoofdsom, maar betwistte de overeengekomen rente als strijdig met goede zeden. Het gerecht volgde het eerdere Hofarrest dat een APR boven 27% nietig is, waardoor de rente werd gematigd tot 27%. De gewijzigde eis werd niet betwist.

De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen omdat Island Finance niet aannemelijk maakte dat deze kosten daadwerkelijk en redelijk waren gemaakt, behalve een aanmaningsbrief. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom met gematigde rente en proceskosten, het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de lening met gematigde rente, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

Vonnis van 2 december 2020
Behorend bij AUA201901222
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,
hierna te noemen: Island Finance,
te Aruba,
gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,
tegen:
[GEDAAGDE],
te Aruba,
hierna te noemen: [Gedaagde],
procederend in persoon.

1.DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- het ter terechtzitting mondeling gegeven antwoord;
- de conclusie van repliek tevens houdende akte ter vermindering van eis;
- de aan [gedaagde] verleende akte van niet dienen van de door hem te nemen antwoordakte.
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Op 18 januari 2017 zijn Island Finance en [gedaagde] een overeenkomst van verbruikleen aangegaan, waarbij zij zijn overeengekomen dat [gedaagde] een bedrag van Afl. 15.214,79 ter leen van Island Finance ontvangt en hij zich verbindt om een bedrag van Afl. 25.140.48 in 48 maandelijkse termijnen van Afl. 523,76 aan Island Finance terug te betalen.
2.2
Bij brief van 19 februari 2019 heeft Brown advocaten [gedaagde] te kennen gegeven dat per die datum aan haar ter incasso ter hand is gesteld de vordering van Island Finance op hem van Afl. 14.415,86, vermeerderd met de wettelijke rente per maand vanaf 31 december 2018, vermeerderd met 5% boeterente over de onbetaald gebleven termijnen en vermeerderd met 15% buitengerechtelijke incassokosten ter zake aan hem in verbruikleen gegeven gelden.
2.3
Op 29 maart 2019 heeft Island Finance onder Divi Golf Aruba N.V. conservatoir derdenbeslag doen leggen ten laste van [gedaagde].

3.DE VORDERING EN HET VERWEER

3.1
Island Finance vordert – na wijzing van eis – uitvoerbaar bij voorraad – [gedaagde] te veroordelen te betalen de som van Afl. 14.329,36, vermeerderd met de gematigde rente van 27% per jaar vanaf 31 december 2018 tot een maximum van Afl. 2.518,86 en na het bereiken van dit maximum te vermeerderen met de wettelijke rente, en vermeerderd met de overeengekomen en gemaakte buitengerechtelijke incassokosten naar rato van 1½ punt van het liquidatietarief in eerste aanleg verschuldigd ad Afl. 1.500,-, en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten.
3.2
Aan deze vordering legt Island Finance ten grondslag dat dat zij aan [gedaagde] gelden in verbruikleen heeft verstrekt, dat [gedaagde] te kort geschoten is in de nakoming van zijn terugbetalingsverplichtingen en dat zij in verband daarmee kosten heeft gemaakt.
3.3 [
Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, strekkende tot afwijzing van de vordering.

4.DE BEOORDELING

4.1 [
Gedaagde] heeft de hiervoor onder 2.1 vermelde overeenkomst niet betwist. Hij heeft ook erkend dat hij de hoofdsom aan Island Finance verschuldigd is.
4.2
Ten aanzien van de overeengekomen rente begrijpt het Gerecht het door [gedaagde] gevoerde verweer aldus dat deze in strijd is met de Arubaanse goede zeden. Dit verweer faalt. Daartoe verwijst het Gerecht naar het vonnis van het Hof van 21 april 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:84, waarin het Hof heeft overwogen dat hij tot nader orde een APR van meer dan 27%, ook al is deze expliciet overeengekomen en zijn de daaruit voortvloeiende verplichtingen duidelijk omschreven, als nietig op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro beschouwt. In het door [gedaagde] aangevoerde, ziet het Gerecht geen grond voor een ander oordeel. Naar aanleiding van het in dat vonnis onder 2.25 overwogene, heeft Island Finance een berekening gemaakt van de door [gedaagde] verschuldigde bedragen, uitgaande van een gematigde rente tot 27%. Op basis van deze berekeningen heeft Island Finance de eis gewijzigd. [Gedaagde] heeft deze berekeningen niet betwist. Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom, daarbij inbegrepen het bereikte maximum aan gematigde rente van 27%, op na te melden wijze wordt toegewezen.
4.3
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en gebleken dat deze daadwerkelijk en in redelijkheid zijn gemaakt. Island Finance heeft niet inzichtelijk gemaakt welke incassowerkzaamheden in deze zaak concreet zijn gedaan, afgezien van het verzenden van een aanmaningsbrief aan [gedaagde].
4.4 [
Gedaagde] dient, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de proceskosten, gevallen aan de zijde van Island Finance.

5.DE UITSPRAAK

het Gerecht:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Island Finance van een bedrag van Afl. 14.329,36, vermeerderd met de gematigde rente van 27% per jaar vanaf 31 december 2018 tot een maximum van Afl. 2.518,86 en na het bereiken van dit maximum te vermeerderen met de wettelijke rente;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Island Finance worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 882,32 (Afl. 218,64 + Afl. 192,14 + Afl. 218,64 + Afl. 252,09) aan explootkosten en Afl. 2.000,- (2 punten in tarief 4) aan salaris van de gemachtigde;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 2 december 2020 in aanwezigheid van de griffier.