ECLI:NL:OGEAA:2021:232

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
12 mei 2021
Publicatiedatum
8 juni 2021
Zaaknummer
AUA202100796
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 LarArt. 11 LarArt. 12 LarArt. 3 EVRM
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbevel zonder schorsing

Verzoeker kwam als toerist Aruba binnen en verbleef illegaal na het verstrijken van de toegestane verblijfsduur. Verweerder beval op 7 januari 2021 de uitzetting en bewaring van verzoeker. Verzoeker diende een asielaanvraag in die op 16 februari 2021 werd afgewezen, waartegen bezwaar is gemaakt. Tevens maakte verzoeker bezwaar tegen het uitzettingsbevel, maar dit bezwaar werd buiten de wettelijke termijn ingediend.

Verzoeker vroeg het gerecht om een voorlopige voorziening te treffen om het uitzettingsbevel te schorsen totdat op het bezwaar was beslist. Hij stelde dat uitzetting zou leiden tot onmenselijke behandeling in Venezuela, hetgeen onder artikel 3 EVRM Pro valt. Het gerecht overwoog dat de beoordeling van een beroep op artikel 3 EVRM Pro via de daarvoor bestemde bezwaarprocedure moet verlopen, die voor verzoeker nog openstaat.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de termijnoverschrijding van het bezwaar niet verschoonbaar was, omdat verzoeker niet tijdig bezwaar had gemaakt ondanks kennis van de bezwaarprocedure. Hierdoor werd het bezwaar voorlopig niet-ontvankelijk verklaard. Er was geen reden om het uitzettingsbevel te schorsen. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van het uitzettingsbevel wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en het ontbreken van gronden voor schorsing.

Uitspraak

Uitspraak van 12 mei 2021
Lar nr. AUA202100796

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van Pro de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoeker],

wonend in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigden: de advocaten mrs. A.F. Kuster en A.I.N. Fraser,
gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: J. Harewood (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij bevelschrift van 7 januari 2021 heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen.
Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 16 maart 2021 bezwaar gemaakt.
Op 24 maart 2021 heeft verzoeker het gerecht verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 april 2021, waar zijn verschenen verzoeker bijgestaan door mr. A.I.N. Fraser, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
1.2
Ingevolge artikel 11, eerste lid, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en gaat deze termijn in op de dag na die waarop de beschikking is gedagtekend.
1.3
Ingevolge artikel 12, derde lid, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.
De feiten
2.1
Verzoeker is op 17 augustus 2019 Aruba binnengekomen als toerist met een toegestane verblijfsduur van vier dagen.
2.2
Bij onderscheiden bevelschriften van 7 januari 2021 heeft verweerder de uitzetting en de bewaring van verzoeker bevolen.
2.3
Bij beschikking van 8 januari 2021 heeft de rechter-commissaris de bewaring van verzoekster rechtmatig geacht.
2.3
Op 14 januari 2021 heeft verzoeker een asielaanvraag ingediend.
2.4
Bij beschikking van 16 februari 2021 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen. Daartegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
2.5
Op 16 maart 2021 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het hiervoor onder 2.2 vermeld uitzettingsbevel.
De standpunten van partijen
3.1
Aan het bevel tot uitzetting heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel, dat zijn illegaal verblijf in Aruba niet behoeft te worden gedoogd, en dat er geen grond is om hem nog langer illegaal in Aruba te laten blijven daar het Land er groot belang bij heeft dat het vreemdelingenrecht ook daadwerkelijk wordt gehandhaafd.
3.2
Het verzoek strekt tot schorsing van het bevelschrift tot uitzetting van 7 januari 2021 totdat op het daartegen gemaakte bezwaar is beslist. Aan dit verzoek legt verzoeker ten grondslag dat hij het risico loopt na uitzetting onmenselijk behandeld te worden in Venezuela.
De beoordeling
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
5. Zoals hiervoor onder 2.4 is vermeld, heeft verweerder bij beschikking van 16 februari 2021 de asielaanvraag van verzoeker van 14 januari 2021 afgewezen, tegen welke beschikking verzoeker bezwaar heeft gemaakt. Bij die beschikking heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat is gebleken noch aannemelijk gemaakt dat verzoeker na terugkeer onderworpen zal worden aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. Voor zover verzoeker wenst te betogen dat verweerder zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld, kan hij dat doen in de daartoe geëigende procedure, te weten in de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Hangende die bezwaarprocedure kan verzoeker desgewenst tevens het gerecht verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. In die procedure dient de vraag of verzoekers uitzetting naar Venezuela een schending van artikel 3 van Pro het EVRM oplevert, te worden beoordeeld. Van verzoeker mag worden verwacht dat hij ter beoordeling van zijn beroep op artikel 3 van Pro het EVRM de daarvoor aangewezen procedures volgt, die overigens voor verzoeker nog altijd open staan.
6. Voorts overweegt de voorzieningenrechter nog als volgt. Verzoeker heeft op 16 maart 2021 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 7 januari 2021, die hem op dezelfde dag is uitgereikt. Het bezwaar is dan ook buiten de daarvoor in artikel 11, eerste lid, van de Lar gestelde termijn van zes weken ingediend. Namens verzoeker is desgevraagd ter zitting te kennen gegeven dat hij het bezwaarschrift pas op 16 maart 2021 heeft ingediend, omdat hij niet bekend was met de bezwaarprocedure en er niet van op de hoogte was dat de bezwaartermijn zes weken bedraagt. Verzoeker heeft de gemachtigde pas later benaderd, waarna de gemachtigde het bezwaarschrift op korte termijn heeft ingediend, aldus verzoeker. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze omstandigheden niet leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Van een andere omstandigheid die tot verschoonbaarheid zou kunnen leiden, is niet gebleken.
Gelet hierop, zal verweerder het bezwaar naar voorlopig oordeel niet-ontvankelijk dienen te verklaren.
7. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor schorsing van het bevelschrift tot uitzetting van 7 januari 2021. Het verzoek wordt afgewezen.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen grond.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.