Verzoekster, een Venezolaanse vrouw, diende een asielaanvraag in Aruba in die door de Minister van Justitie werd afgewezen. Zij vreesde vervolging vanwege haar relatie met een advocaat verbonden aan een politieke partij, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoekster geen nieuwe feiten had aangevoerd die de afwijzing zouden kunnen weerleggen. Hoewel de situatie in Venezuela zorgelijk is, is niet gebleken dat zij persoonlijk risico loopt op vervolging of onmenselijke behandeling volgens het Vluchtelingenverdrag en het EVRM.
De rechter concludeerde dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij als vluchteling kan worden aangemerkt en dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.