In reactie op het verzoekschrift heeft verweerder, kort samengevat, in aanvulling op de bestreden beschikking, het volgende aangevoerd.
Verweerder betoogt dat de bestuursrechter niet de bevoegde rechter is om van het geschil kennis te nemen. Ter onderbouwing van dit betoog wijst verweerder erop dat in artikel 11, eerste lid, en artikel 27, eerste lid, van de Kiesverordening is bepaald dat het Gerecht in eerste aanleg van Aruba bevoegd is om kennis te nemen van verzoeken ter aanvulling of verbetering van het kiezersregister respectievelijk dat een kiezer in beroep kan komen tegen een beslissing van het hoofdstembureau over de kandidatenlijst. Naar analogie van deze bepalingen kan ook tegen beslissingen die op grond van artikel 10, tweede lid, van de Kiesverordening worden genomen, uitsluitend beroep bij de civiele rechter worden ingesteld, aldus verweerder.
Verweerder stelt subsidiair dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De brief van 9 juni 2021 is geen beschikking in de zin van de Lar maar slechts een informatieve brief waarin een besluit van algemene strekking is opgenomen, te weten dat artikel 10, tweede lid, van de Kiesverordening buiten toepassing wordt verklaard. Dit besluit geldt voor alle politieke partijen. Op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Lar is er daarom geen sprake van een beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar.
Met betrekking tot de voorbereiding van de bestreden beschikking heeft verweerder nader toegelicht dat hij na afloop van de verkiezingen van 22 september 2017 overleg heeft gehad met, en zich heeft laten adviseren door, de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister, de Electorale Raad en de Directie wetgeving, hetgeen, kort samengevat, heeft geleid tot een onder deze partijen heersende opvatting dat artikel 10, tweede lid, van de Kiesverordening is achterhaald en onwenselijke neveneffecten heeft. Dit heeft geresulteerd in een conceptwijziging van de Kiesverordening dat nog niet is aangeboden aan de Staten.
Verweerder betoogt voorts dat met verstrekking van een afschrift van het kiezersregister niet het door verzoekster voorgewende doel, te weten controle van de identiteit en de kiesgerechtigdheid van de kiezer, kan worden bereikt. Immers aan de ‘checkers’ van verzoekster wordt geen identiteitsbewijs ter hand gesteld, waardoor zij ook niet in staat zijn de kiesgerechtigdheid te controleren.