ECLI:NL:OGEAA:2021:348

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
6 augustus 2021
Zaaknummer
AUA202101439
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 5 Lv VOGArtikel 7 Lv VOGArtikel 14 Lv VOGArtikel 15 Lv VOGArtikel 22 Lv VOG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verklaring omtrent het gedrag na recente veroordeling ontucht minderjarige

Klager verzocht om een verklaring omtrent het gedrag (VOG) om toegang te krijgen tot het terrein van het Water- en Energiebedrijf. Verweerder weigerde de VOG af te geven vanwege een recente onherroepelijke veroordeling van klager voor ontucht met een minderjarige, waarbij een gevangenisstraf van 365 dagen werd opgelegd, waarvan 255 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Klager betoogde dat hij zijn straf had uitgezeten, berouw had en een kans verdiende. Het gerecht oordeelde echter dat gelet op de aard en ernst van het delict, de recente veroordeling en de nog lopende proeftijd, verweerder terecht had besloten de VOG te weigeren.

De klacht van klager werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De klacht tegen de weigering van de verklaring omtrent het gedrag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Beschikking van 7 juli 2021
VOG nr. AUA202101439

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING
op het klaagschrift als bedoeld in artikel 25 van Pro de Landsverordening justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (hierna: de Lv VOG) van:

{Klager],

wonend in Aruba,
KLAGER,
procederend in persoon,
gericht tegen de beschikking van 17 mei 2021 van:

de aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 14 van Pro de Lv VOG,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
mr. J.W. Klamer.

DE PROCEDURE

Bij beschikking van 17 mei 2021 heeft verweerder het verzoek van klager om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag afgewezen.
Op 31 mei 2021 heeft klager daartegen een klaagschrift ingediend.
Het gerecht heeft de zaak behandeld in raadkamer op 30 juni 2021. Partijen zijn in persoon verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

DE BEOORDELING

Het wettelijk kader

1.1
Ingevolge artikel vijf, eerste lid, van de Lv VOG wordt een strafblad uit het strafregister verwijderd na verloop van een termijn van vier jaren.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, beloopt de termijn acht jaren, indien bij de veroordeling is opgelegd gevangenisstraf.
1.2
Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt de in artikel 5 bedoelde Pro termijn verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde vrijheidsstraf met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het niet zal worden tenuitvoergelegd en een last tot herroeping niet is gegeven.
1.3
Ingevolge artikel 15, tweede lid, houdt een verklaring omtrent het gedrag niet anders in dan dat de aangewezen ambtenaar uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon.
1.4
Ingevolge artikel 22, eerste lid, geeft de aangewezen ambtenaar een verklaring omtrent het gedrag slechts af wanneer hem uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon. In alle andere gevallen weigert hij de gevraagde verklaring af te geven.
1.5
Ingevolge artikel 23, eerste lid, mag de aangewezen ambtenaar, voor zover thans van belang, bij zijn onderzoek uitsluitend acht slaan op:
a. de uittreksels uit de strafregisters die hem ten aanzien van de betrokkene verstrekt worden;
b. gegevens ontleend aan de registers van de politie;
c. andere schriftelijke bescheiden welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld.
De standpunten van partijen
2.1
Klager heeft verzocht om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag ter verkrijging van een pas om het terrein van het Water- en Energiebedrijf (W.E.B.) te mogen betreden. Klager kan zich niet verenigen met de afwijzing van de verzochte verklaring. Klager heeft daartoe aangevoerd, dat hij weliswaar fouten heeft begaan maar dat hij zijn straf heeft uitgezeten en dat hij zijn leven wil beteren. Hij heeft berouw en verzoekt een kans.
2.2
Bij de afwijzing heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, hem is gebleken van bezwaren tegen klager. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat klager bij een recente onherroepelijk geworden vonnis van het gerecht van 8 oktober 2020 is veroordeeld voor de duur van 365 dagen, waarvan 255 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens ontucht met een minderjarige. De proeftijd is nog van kracht. De aard van het strafbare feit vormt volgens verweerder, gelet op het doel waarvoor afgifte is verzocht, zodanige bezwaren dat afgifte van een verklaring omtrent het gedrag moet worden geweigerd.
De beoordeling
3.1
Het gerecht is, in aanmerking genomen de recente veroordeling van klager voor het plegen van ontucht met een minderjarige, alsmede de aard en ernst van dit delict, van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hem is gebleken van bezwaren tegen de persoon van klager gelet op het doel waarvoor afgifte is verzocht. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de veroordeling van klager zeer recent is, er sprake is van een ernstig strafbaar feit en de proeftijd nog niet is verstreken.
3.2
Onder deze omstandigheden was verweerder ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Lv VOG gehouden te weigeren de gevraagde verklaring af te geven.
3.3
Gelet op het vorenoverwogene zal de klacht ongegrond worden verklaard.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing werd gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, op woensdag 7 juli 2021, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open (artikel 28, derde lid, van de Lv VOG).