ECLI:NL:OGEAA:2021:564

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
27 oktober 2021
Publicatiedatum
13 december 2021
Zaaknummer
AUA201900151
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:109 BWArt. 3:119 lid 1 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eigendom en overdracht van een auto na inbeslagname door politie

In deze civiele zaak stond de eigendom van een auto centraal die door de politie in beslag was genomen op initiatief van gedaagde. Eiser stelde dat hij eigenaar was geworden van de auto via een koopovereenkomst waarbij de moeder van eiser de verkoopster was en gedaagde slechts als financier optrad. Gedaagde voerde tegenbewijs aan tegen het wettelijk vermoeden dat eiser eigenaar was, maar slaagde hier niet in.

Het gerecht hoorde diverse getuigen, waaronder eiser zelf, zijn moeder, en familieleden van gedaagde. Uit hun verklaringen bleek dat de intentie bij de koop was dat eiser eigenaar zou worden en dat gedaagde alleen financier was. Er werd geen bewijs geleverd dat de eigendom ooit aan gedaagde was overgedragen of dat eiser de eigendom aan gedaagde had teruggegeven.

Het gerecht constateerde dat de inbeslagname van de auto door de politie op onjuiste gronden plaatsvond, aangezien gedaagde aangifte van verduistering had gedaan zonder dat er strafvorderlijke bevoegdheid voor inbeslagname was aangetoond. De kosten van bewaarloon en wegsleepkosten komen voor rekening van gedaagde.

De rechter veroordeelde gedaagde tot feitelijke overdracht van de auto aan eiser, inclusief de benodigde registratie, en compenseerde de proceskosten zodat ieder zijn eigen kosten draagt. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot feitelijke overdracht van de auto aan eiser en ieder draagt eigen proceskosten.

Uitspraak

Vonnis van 27 oktober 2021
Behorend bij AUA201900151
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[eiser],
wonende in Aruba,
eiser,
hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. G.W. Rep,
tegen:
[gedaagde],
wonende in Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. C.P. Wever.

6.DE VERDERE PROCEDURE

6.1
Dit vonnis is een vervolg op het tussenvonnis van 13 mei 2020 (hierna: het tussenvonnis). De nummering in dit vonnis sluit aan bij de nummering in het tussenvonnis. Het verloop van de procedure tot en met het tussenvonnis blijkt uit dat tussenvonnis. Het verdere verloop volgt uit:
- het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 oktober 2020;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 december 2020.
6.2
De datum voor het vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

7.DE VERDERE BEOORDELING

7.1
In het tussenvonnis is beslist dat de primaire vordering om partijen op te dragen hun geschil aan een conflictbemiddelaar voor te leggen, wordt afgewezen. Ten aanzien van de subsidiaire vordering die betrekking had op de woning [perceel] is eveneens beslist dat deze zal worden afgewezen. Voorts heeft het gerecht ten aanzien van het andere onderdeel van de subsidiaire vordering [gedaagde] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het wettelijk vermoeden dat [eiser] eigenaar was geworden van de [merk auto] (hierna: de [merk auto]). [gedaagde] heeft in het kader van die bewijsopdracht als getuigen laten horen de getuigen de heer [eiser] (eiser in deze procedure), mevrouw [moeder] (de moeder van [eiser]), mevrouw [zus] (de zus van [gedaagde]), de heer [broer] (de broer van [gedaagde]) en de heer [getuige].
7.2
In het tussenvonnis heeft het gerecht (in 4.11) overwogen dat de [merk auto] eigendom is geworden van [eiser] indien zijn stelling juist is dat het de bedoeling was van de betrokkenen bij de koopovereenkomst betreffende de [automerk] (te weten: de moeder van [eiser] als verkoopster, [eiser] als koper en [gedaagde] als financier) dat [eiser] eigenaar zou worden van de [merk auto] en dat deze aan hem is geleverd. In dat geval is [eiser] immers door levering op grond van een geldige titel door een beschikkingsbevoegde de eigenaar geworden van de [merk auto]. Omdat tussen partijen vaststaat dat [eiser] de houder was van de [merk auto] toen deze op initiatief van [gedaagde] door de politie in beslag is genomen, wordt vermoed dat [eiser] bezitter is en dat ook eigenaar is (art. 3:109 jo Pro. 3:119 lid 1 BW). Tegen dit vermoeden is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren.
7.3 [
gedaagde] is niet geslaagd in het leveren van bedoeld tegenbewijs. Van een ontzenuwen van het bewijsvermoeden zou sprake zijn geweest indien uit de verklaringen van getuigen was gebleken van feiten of omstandigheden die ofwel leiden tot de conclusie dat destijds de eigendom van de [merk auto] door de moeder van [eiser] niet aan [eiser] maar aan [gedaagde] is overgedragen dan wel tot de conclusie dat [eiser] nadien de eigendom van de [merk auto] aan [gedaagde] heeft overgedragen. Van dergelijke feiten is uit de getuigenverklaringen niet gebleken.
7.4.1
Als getuige heeft [eiser] volhard in zijn verklaring dat zijn moeder de auto aan hem heeft verkocht, dat dat óók de bedoeling van [gedaagde] was en dat [gedaagde] de [merk auto] slechts heeft gefinancierd. Die financiering was de reden dat [gedaagde] in de koopovereenkomst werd genoemd. In de periode na de koop heeft hij het bedrag van de financiering aan [gedaagde] terugbetaald.
7.4.2
Ook de getuige [moeder] heeft verklaard dat zij de [merk auto] aan haar zoon heeft verkocht en dat [gedaagde] slechts de financiering heeft geregeld en dat [gedaagde] om die reden mede als partij bij de koopovereenkomst is opgetreden.
7.4.3
De getuigen [zus] en [broer] hebben slechts verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen omtrent het gebruik van de [merk auto] in de periode dat [eiser] en [gedaagde] met elkaar samenwoonden. Dat de [merk auto] werd gebruikt door [gedaagde] zelf, door de zoon van [gedaagde] alsmede door de getuige [broer], zoals deze getuigen verklaren, zegt op zichzelf niets over de vraag wie de eigendom van de [merk auto] had. Ook de omstandigheid dat [gedaagde] degene was die in veel gevallen de toestemming verleende voor het gebruik van de [merk auto], zoals deze getuigen hebben verklaard, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de reden voor het feit dat [gedaagde] degene was die de toestemming verleende, slechts gelegen kon zijn in de omstandigheid dat [gedaagde] de eigendom van de [merk auto] had. Daar kunnen ook andere redenen en afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] omtrent het gebruik van de [merk auto] aan ten grondslag hebben gelegen.
7.4.4
Door de getuige [getuige] is niets verklaard dat ook maar enigszins relevant is voor de bewijsopdracht.
7.5
In het bijzonder volgt uit geen van de verklaringen dat ofwel de moeder van [eiser], ofwel [eiser] dan wel [gedaagde] zelf bij het aangaan van de koopovereenkomst niet de bedoeling hadden dat de [merk auto] aan [eiser] (op grond van een samengestelde titel) werd verkocht en dat de [merk auto] niet aan [eiser] zou zijn geleverd, zodat de stellingen dienaangaande van [eiser] niet zijn ontzenuwd. Evenmin is uit de getuigenverklaringen gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de [merk auto] nadien in eigendom aan [gedaagde] is overgedragen (hetgeen overigens ook niet door [gedaagde] was gesteld).
7.6
De slotsom van het voorgaande is dan ook dat het bewijsvermoeden niet is ontzenuwd, zodat daarmee tussen partijen is komen vast te staan dat [eiser] in hun onderlinge verhouding heeft te gelden als de eigenaar van de [merk auto]. Nu de [merk auto] na het indienen van het verzoekschrift op initiatief van [gedaagde] door de politie in beslag is genomen, begrijpt het gerecht de vordering van [eiser] ten aanzien van de [merk auto], inhoudende dat [gedaagde] wordt verplicht tot overdracht van de [merk auto], aldus dat [gedaagde] mede wordt verplicht tot feitelijke overdracht van de [merk auto] aan hem. Die vordering acht het gerecht toewijsbaar.
7.7
In verband hiermee overweegt het gerecht nog het volgende. Door [eiser] is onbetwist gesteld dat de [merk auto] op last van [gedaagde] door de politie (een met [gedaagde] bevriende agent) in beslag is genomen, omdat [gedaagde] aangifte van verduistering tegen [eiser] had gedaan. Voorts heeft [eiser] als getuige verklaard dat aan de politie een bedrag van Afl. 25,00 per dag aan bewaarkosten moet worden voldaan alvorens de politie de auto afgeeft, te vermeerderen met wegsleepkosten.
7.8
Nu [gedaagde] degene is geweest die op onjuiste gronden de politie heeft overtuigd om de [merk auto] onder [eiser] in beslag te nemen, ligt op haar het risico van de verplichting tot betaling van bewaarloon, wegsleepkosten en andere kosten die de politie in rekening brengt voor het vrijgeven van de [merk auto]. Dat [gedaagde] kosten moet maken voor de afgifte van de [merk auto] door de politie, staat aan de toewijzing van de vordering niet in de weg. Indien die kosten van afgifte hoger zijn dan de dagwaarde van de [merk auto] (zoals door [eiser] als getuige is verklaard), dan kunnen partijen in overweging nemen dat [gedaagde] de waarde van de [merk auto] ten tijde van de inbeslagneming vergoedt onder overdracht van de eigendom van de [merk auto] door [eiser] aan [gedaagde].
7.9
Het gerecht heeft voorts twijfels over de rechtmatigheid van het optreden van de politie, nu niet is gebleken dat de politie gebruik heeft gemaakt van enige strafvorderlijke bevoegdheid tot inbeslagname van de [merk auto] in het kader van de vervolging van een strafbaar feit. Als getuige heeft [eiser] verklaard dat de politie hem, ondanks zijn verzoek daartoe, niet heeft medegedeeld wat de grondslag is van de inbeslagneming. Naar het oordeel van het gerecht dient de in de artikelen 3:109 jo. 3:119 lid 1 BW neergelegde processuele functie van het bezit niet doorkruist te worden door eigenmachtig optreden van de zijde van de politie.
7.1
Nu partijen in deze procedure over en weer in het ongelijk zijn gesteld en nu bovendien partijen gewezen partners zijn, zal het gerecht de kosten van de procedure compenseren, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

8.DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:
8.1
veroordeelt [gedaagde] tot feitelijke overdracht van de [merk auto], bouwjaar 2009, aan [eiser] en verplicht [gedaagde] om datgene te doen dat nodig is om tot overdracht van de [merk auto] te komen, inclusief de registratie ervan;
8.2
compenseert de kosten van de procedure in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
8.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
8.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 oktober 2021 in aanwezigheid van de griffier.