De zaak betreft een verzoek van de Voogdijraad om de moeder te ontzetten uit het ouderlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen, geboren uit haar relatie met de vader. De moeder vertrok in november 2020 plotseling naar Nederland en liet de kinderen achter bij hun grootmoeder aan vaderszijde zonder afscheid te nemen of regelingen te treffen over het gezag. Diverse instanties konden de moeder niet bereiken ondanks hoog schoolverzuim van de kinderen.
Op 8 december 2020 werden de kinderen door het openbaar ministerie aan de Voogdijraad toevertrouwd en geplaatst bij de vader. De voorlopige toevertrouwing werd later bekrachtigd. De moeder oefent sinds haar vertrek feitelijk geen gezag uit en heeft geen contact onderhouden met de Voogdijraad. De vader verzorgt de kinderen goed en biedt hen stabiliteit.
De Voogdijraad concludeert dat de moeder door haar gedrag grove verwaarlozing pleegt ten aanzien van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De moeder verzet zich tegen het verzoek en geeft aan in Nederland te wonen en te werken, maar heeft geen concrete plannen om terug te keren. Het gerecht acht het in het belang van de kinderen noodzakelijk de moeder uit het gezag te ontzetten en het gezag aan de vader toe te wijzen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven op 14 december 2021 door het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.