ECLI:NL:OGEAA:2021:638
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning Aruba
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een vergunning tot tijdelijk verblijf in Aruba, welke op 12 februari 2021 werd afgewezen door verweerder, de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard op 14 september 2021. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba en diende tevens een verzoek in tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 54 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar).
Tijdens de zitting op 29 september 2021 werd het verzoek behandeld. Verzoeker stelde dat het beroep kans van slagen heeft en dat hij dreigt te worden uitgezet, waardoor een voorlopige voorziening noodzakelijk is om hem te laten verblijven en behandelen alsof hij de verblijfsvergunning bezit. Verweerder betwistte dit en voerde aan dat de gemachtigde van verzoeker geen geldige volmacht had en dat het bezwaar niet-ontvankelijk was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat niet aannemelijk was gemaakt dat verzoeker met onmiddellijke uitzetting wordt bedreigd. Verweerder bevestigde dat verzoeker voorlopig niet zal worden uitgezet, aangezien de weigering wordt heroverwogen. Er waren geen andere omstandigheden die een spoedeisend belang aannemelijk maakten. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.