ECLI:NL:OGEAA:2022:261

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
3 augustus 2022
Zaaknummer
AUA202201192
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E.B. de Haseth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 LarArt. 9 LtuArt. 8 EVRM
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbevel wegens strijd met openbare orde

Verzoeker, van Venezolaanse en Colombiaanse nationaliteit, werd in 2016 Aruba binnengebracht en verbleef aanvankelijk zonder geldige verblijfstitel. Na uitzetting in 2019 met een terugkeerverbod, werd dit verbod opgeheven in 2020 waarna verzoeker opnieuw Aruba betrad. Hij werd in 2021 in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van een misdrijf en later veroordeeld.

Verzoeker diende een aanvraag in voor een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van gezinshereniging, welke door de minister werd afgewezen wegens strijd met de openbare orde en het algemeen belang. Verzoeker stelde dat hij geen gevaar vormde en dat de weigering in strijd was met het ne bis in idem-beginsel en artikel 8 EVRM Pro.

Het gerecht oordeelde dat verzoeker relevante informatie had achtergehouden over zijn strafrechtelijke vervolging, wat relevant is voor de beoordeling van de openbare orde. Het ne bis in idem-beginsel is niet van toepassing omdat de weigering geen sanctie inhoudt. Ook is geen grond om de vergunning te verlenen op basis van artikel 8 EVRM Pro, omdat gezinsleven in andere landen mogelijk is en verzoeker nooit rechtmatig in Aruba verbleef.

Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Er is geen grond voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het uitzettingsbevel wordt afgewezen.

Uitspraak

Uitspraak van 1 juni 2022
Lar nr. AUA202201192

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van Pro de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoeker],

van Venezolaanse en Colombiaanse nationaliteit,
VERZOEKER,
gemachtigde: J.J.C. Odor, LL.M.
gericht tegen:

DE MINISTER VAN ARBEID, ENERGIE EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. N.R. Sneek (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 2 augustus 2021 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van gezinshereniging afgewezen.
Bij beschikking van 23 maart 2022 heeft verweerder het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Hiertegen heeft verzoeker op 26 april 2022 beroep ingesteld.
Op 29 april 2022 heeft verzoeker dit verzoekschrift ingediend.
Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 mei 2022, waar zijn verschenen verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.
Uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
1. Het oordeel van het gerecht heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.1
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
2.2
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu), kan een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, worden geweigerd in verband met de openbare orde of het algemeen belang, waartoe ook de bescherming van de volksgezondheid en de arbeidsmarkt wordt gerekend te behoren.
3.1
Verzoeker, op [geboortedatum] 1988 in Venezuela geboren en van Venezolaanse en Colombiaanse nationaliteit, is op 14 augustus 2016 Aruba binnengekomen.
3.2
Vanaf 14 augustus 2016 tot 16 augustus 2019 verbleef verzoeker in Aruba zonder over een geldige verblijfstitel te beschikken. Verzoeker werd op 16 augustus 2019 uitgezet en aan hem werd een terugkeerverbod van 42 maanden (tot 15 februari 2023) opgelegd.
3.3
Op 9 december 2019 is verzoeker met een Nederlander getrouwd.
3.4
Op 12 juni 2020 heeft de minister van Justitie het terugkeerverbod opgeheven.
3.5
Op 11 december 2020 is verzoeker Aruba binnengekomen.
3.6
Op 7 maart 2021 werd verzoeker in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van een misdrijf, waarvoor hij strafrechtelijk is vervolgd.
3.7
Op 7 april 2021 heeft verzoeker het aan de beschikking van 23 maart 2022 ten grondslag liggende verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf ingediend.
3.8
Verzoeker is bij vonnis van 14 april 2022 veroordeeld ter zake van een misdrijf.
4. Aan de beschikking van 23 maart 2022 heeft verweerder strijd met de openbare orde en het algemeen belang ten grondslag gelegd. Daartoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker bij het indienen van zijn verzoek informatie heeft achtergehouden, te weten dat hij eerder Aruba is uitgezet en dat hij op 7 maart 2021 op verdenking van een strafbaar feit is aangehouden, en daarvoor strafrechtelijk werd vervolgd. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij niet op grond van artikel 8 EVRM Pro gehouden is de verzochte vergunning te verlenen, omdat zich geen objectieve belemmeringen voordoen voor het uitoefen van het gezinsleven in een van de landen van verzoekers nationaliteit.
5. Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker de beslissing op zijn bezwaar – het gerecht begrijpt: beroep – in Aruba mag afwachten. Daartoe heeft verzoeker aangevoerd dat verweerder zich bij het afgewezen verzoek ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aan de vereisten om voor toelating in aanmerking te komen voldoet, daar hij geen gevaar voor de openbare orde en algemeen belang vormt. Voorts is de afwijzing volgens verzoeker in strijd met het ne bis in idem beginsel, omdat hij daarmee na de strafrechtelijke veroordeling voor een tweede maal wordt gestraft, en in strijd met artikel 8 EVRM Pro, omdat hij gehuwd is met een Nederlander, aldus verzoeker.
6.1
Naar het oordeel van het gerecht valt niet in te zien dat de afwijzing van het verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf op de grond van strijd met de openbare orde uiteindelijk geen stand zal houden. Daarbij neemt het gerecht het volgende in aanmerking. Zoals hiervoor onder 3.6 tot en met 3.8 is vermeld, staat vast dat verzoeker kort voordat hij het voorliggende verzoek heeft ingediend op verdenking van een misdrijf in voorlopige hechtenis is genomen en dat hij ter zake strafrechtelijk werd vervolgd, en uiteindelijk na de beschikking van 23 maart 2022 strafrechtelijk is veroordeeld. Bij het indienen van het verzoek heeft verzoeker van de verdenking, de voorlopige hechtenis en de strafrechtelijke vervolging geen melding gemaakt. Dit had evenwel van hem verwacht mogen worden. Verzoeker had kunnen en moeten begrijpen dat deze feiten, die raken aan de openbare orde, bij het nemen van een beschikking op het verzoek relevant zijn, reeds omdat strijd met de openbare orde een grond is voor de weigering van een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf.
6. 2 Het betoog van verzoeker dat de beschikking van 23 maart 2022 in strijd is met het ne bis in idem beginsel faalt reeds omdat de afwijzing van een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf geen sanctie is.
6.3
Naar het oordeel van het gerecht bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder op grond van 8 EVRM gehouden is de verzochte vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen, reeds omdat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen objectieve belemmeringen voordoen voor het uitoefenen van het gezinsleven met zijn echtgenote in een van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit. De enkele omstandigheden dat zijn echtgenote in Aruba een studie volgt, is daartoe onvoldoende. Daarbij kan mede in aanmerking worden genomen dat verzoeker bij het uitoefenen van zijn gezinsleven in Aruba nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad.
7. Gelet op het voorgaande is voor het treffen van een voorlopige voorziening dan ook geen grond. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2022 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.