ECLI:NL:OGEAA:2022:275

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
6 juli 2022
Publicatiedatum
4 augustus 2022
Zaaknummer
AUA202201763
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot tenuitvoerlegging voorlopige voorziening inzake inbewaringstelling asielzoeker

Verzoeker, een Venezolaanse asielzoeker, werd op 25 mei 2022 opgehouden en in bewaring gesteld door de autoriteiten van Aruba. Na afwijzing van zijn asielverzoek op 9 juni 2022, werd hij op dezelfde dag een bevel tot uitzetting en een terugkeerverbod opgelegd, gevolgd door een bevel tot inbewaringstelling. Het gerecht achtte het oorspronkelijke ophoudingsbevel onrechtmatig en beval onmiddellijke invrijheidstelling.

Verzoeker diende op 10 juni 2022 een verzoek in tot tenuitvoerlegging van deze voorlopige voorziening met een dwangsom, omdat hij pas op die dag werd vrijgelaten en zijn persoonlijke bezittingen nog niet had teruggekregen. De rechter oordeelde echter dat de detentie sinds 9 juni 2022 niet meer op het ophoudingsbevel, maar op het bevel tot inbewaringstelling was gebaseerd, en dat verweerder niet nalatig was in de uitvoering van de schorsingsuitspraak.

Verder werd vastgesteld dat verzoeker vanaf 10 juni 2022 vrij was om zijn bezittingen op te halen, maar dit niet heeft gedaan. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot tenuitvoerlegging van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

Uitspraak van 6 juli 2022
Lar nr. AUA202201763

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 56 van Pro de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoeker],

van Venezolaanse nationaliteit,
VERZOEKER,
gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,
gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE EN SOCIALE ZAKEN,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mrs. V.E. Emerencia (DWJZ) en J.M. Harewood (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 9 juni 2022 (AUA202201747) heeft het gerecht het bevel tot ophouding van verzoeker van 25 mei 2022 geschorst en verweerder opgedragen verzoeker onmiddellijk in vrijheid te stellen.
Op 10 juni 2022 heeft verzoeker onderhavig verzoek op grond van artikel 56 van Pro de Lar ingediend (verzoek).
Op 22 juni 2022 heeft verweerder stukken ingediend.
Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juni 2022. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, die vergezeld waren van de heer R.A. Kramers (GNC).
De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

feiten

1.1
Verzoeker, op [datum] 1999 in Venezuela geboren en van Venezolaanse nationaliteit, is op 11 februari 2019 Aruba binnengekomen als toerist met een toegestane verblijfsduur van 7 dagen.
1.2
Op 10 december 2021 heeft verzoeker een asielverzoek ingediend bij het DIMAS.
1.3
Op 25 mei 2022 is verzoeker tijdens een controle door het personeel van de Guarda Nos Costa (GNC) staande gehouden en overgebracht naar GNC ter controle van zijn verblijfstatus. Op diezelfde dag heeft verweerder de ophouding van verzoeker bevolen (ophoudingsbevel).
1.4
Bij beschikking van 9 juni 2022 is het asielverzoek van verzoeker afgewezen. Deze beschikking is op diezelfde datum omstreeks 15:00 uur aan verzoeker uitgereikt.
1.5
Bij een bevelschrift, dat op 9 juni 2022 om 16:00 uur aan verzoeker is uitgereikt, heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen en hem een terugkeerverbod van 48 maanden opgelegd. Bij een ander bevelschrift, dat op 9 juni 2022 om 16:05 uur aan verzoeker is uitgereikt, heeft verweerder de inbewaringstelling van verzoeker bevolen.
1.6
Bij uitspraak van 9 juni 2022 (AUA202201747) heeft het gerecht het ophoudingsbevel onrechtmatig geacht, dit geschorst en verweerder opgedragen verzoeker onmiddellijk in vrijheid te stellen (schorsingsuitspraak). Het gerecht heeft de schorsingsuitspraak bij
e-mail van 9 juni 2022 op 16:18 uur naar partijen verzonden.
1.7
Op 10 juni 2022 heeft de rechter-commissaris de inbewaringstelling van verzoeker onrechtmatig geacht en de onmiddellijke invrijheidstelling van verzoeker bevolen. Verweerder heeft verzoeker op diezelfde dag in vrijheid gesteld.
verzoek
2. Het verzoek strekt ertoe dat verweerder wordt opgedragen aan de schorsingsuitspraak te voldoen, onder verbeurte van een dwangsom van Afl. 5.000,- voor iedere dag dat geen uitvoering daaraan wordt gegeven, zulks met ingang van 9 juni 2022. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij - ondanks zijn invrijheidstelling - nog steeds belang heeft bij het verzoek, aangezien hij pas op 10 juni 2022 in vrijheid is gesteld en zijn persoonlijke bezittingen, die hem ten tijde van zijn ophouding zijn ontnomen, nog steeds niet aan hem zijn teruggeven.
beoordeling
3. Ingevolge artikel 56 van Pro de Lar kan het gerecht bepalen dat het bestuursorgaan, indien en zolang het niet aan een in de uitspraak vervatte voorlopige voorziening voldoet, aan verzoeker een bij de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt.
4. Vaststaat dat verweerder, nadat hem op 9 juni 2022 bekend is geworden dat het asielverzoek van verzoeker is afgewezen, de uitzetting van verzoeker en zijn inbewaringstelling heeft bevolen. Aldus was verzoekers detentie bij de GNC vanaf dat moment niet meer gegrond op het ophoudingsbevel, maar op het bevel tot inbewaringstelling. Anders dan verzoeker stelt, is geen sprake van een nalaten zijdens verweerder om te voldoen aan de schorsingsuitspraak, nu de daarin opgenomen opdracht tot onmiddellijke invrijheidstelling gebaseerd is op het onrechtmatig bevonden ophoudingsbevel. Dat de rechter-commissaris op 10 juni 2022 de inbewaringstelling onrechtmatig heeft geacht en daarom ook de onmiddellijke invrijheidstelling van verzoeker heeft bevolen, maakt dat niet anders. Voor wat betreft het door verzoeker gestelde over zijn persoonlijke bezittingen, oordeelt het gerecht dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verzoeker vanaf 10 juni 2022 vrijstond om zijn bezittingen al dan niet middels zijn gemachtigde op te halen, maar zelf ervoor heeft gekozen om dat niet te doen.
5. Het vorenstaande in aanmerking nemende, zal het verzoek worden afgewezen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
-- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2022 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.