Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2022:28

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
10 februari 2022
Publicatiedatum
3 maart 2022
Zaaknummer
AUA201902674
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
  • H. Dirksz
  • E. de Cuba
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 LOV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ongevallengeld na ongeval tijdens bedrijfsuitje niet zijnde bedrijfsongeval

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de Sociale Verzekeringsbank om haar geen ongevallengeld toe te kennen na een ongeval tijdens een UTV off-road trip, georganiseerd als bedrijfsuitje. Zij stelde dat het ongeval als bedrijfsongeval moest worden aangemerkt omdat het tijdens een door de directie goedgekeurd uitje plaatsvond en deelname werd verwacht.

De bank had het verzoek afgewezen omdat het ongeval niet in verband stond met de in dienstbetrekking verrichte arbeid, mede omdat deelname aan het uitje niet verplicht was en het niet viel onder de verzekerde risico's van het hotelbedrijf. Het Gerecht bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat het ongeval niet als bedrijfsongeval kan worden aangemerkt, ook niet omdat appellante zich verplicht voelde mee te doen.

Het beroep werd ongegrond verklaard. Het Gerecht benadrukte dat het ongeval tijdens het uitje niet in de uitoefening van haar werkzaamheden als F&B manager plaatsvond en dat het aan de werkgever is om verzekeringen te sluiten voor dergelijke activiteiten.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en ongevallengeld wordt niet toegekend.

Uitspraak

Uitspraak van 10 februari 2022
CVB nr. AUA201902674

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening Ongevallenverzekering (LOV) van:

[Appellante],

wonende in Aruba,
APPELLANTE,
optredende in persoon,
tegen de beslissing van 10 juli 2019 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

gevestigd in Aruba,
VERWEERDER, hierna te noemen de bank,
gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

PROCESVERLOOP

Bij voornoemde beslissing (de bestreden beslissing) van 10 juli 2010, door appellante ontvangen op 29 juli 2019, heeft de bank besloten dat appellante geen tegemoetkoming krachtens de LOV wordt toegekend in verband met arbeidsongeschiktheid wegens klachten aan haar rechterhand en pols.
Tegen deze beslissing heeft appellante op 9 augustus 2019 beroep aangetekend.
Op 15 oktober 2019 heeft de bank een verweerschrift ingediend.
Het beroep van appellante is op de bijeenkomst van 27 augustus 2020 van dit College behandeld, in aanwezigheid van appellante in persoon, en de gemachtigde van de bank.

OVERWEGINGEN

1.1
Appellante kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om haar geen ongevallengeld toe te kennen, en stelt zich op het standpunt dat er wel degelijk sprake was van een bedrijfsongeval, nu het ongeval tijdens een door de directie goedgekeurd bedrijfsuitje heeft plaatsgevonden. Van haar wordt verwacht dat zij aan dergelijke uitjes meedoet om het teamverband te versterken, aldus appellante. Tijdens de bijeenkomst heeft zij te kennen gegeven dat zij vier maanden uitbetaald heeft gekregen van haar werkgever, waarna zij een maand vakantie heeft opgenomen. Hierna is zij 100% gaan werken. Haar belang bij onderhavige procedure is de teruggave van de vakantiedagen en voor het geval zij in de toekomst geopereerd moet worden.
1.2
Aan de bestreden beslissing heeft de bank ten grondslag gelegd, dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid wegens – kort gezegd – een bedrijfsongeval. Ter onderbouwing hiervan heeft de bank gesteld dat appellante op 16 juni 2019 betrokken was bij een ongeval op een UTV toen deze kantelde tijdens een off-road trip met haar collega’s, waarbij zij haar hand verbrijzelde, en dat dit ongeval haar niet in verband met haar dienstbetrekking als F&B Manager is overkomen. Verder heeft de bank aangevoerd, dat het organiseren van UTV road trips niet onder het verzekerd risico van hotelbedrijven valt, en dat het aan de werkgever is om verzekeringen te sluiten indien hij van de werknemer verwacht dat hij meedoet aan spel- en sportactiviteiten.
2. Ter beantwoording ligt voor de vraag of bank op goede gronden heeft geweigerd aan appellante ongevallengeld toe te kennen.
3.1
Artikel 1 van Pro de LOV bepaalt dat onder ongeval moet worden verstaan, een ongeval dat de arbeider in verband met zijn dienstbetrekking is overkomen.
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie CvB van 10 oktober 1996, zaak nummer 2 van 1996), dient deze bepaling aldus te worden geïnterpreteerd dat het ongeval in verband moet staan met de in dienstbetrekking verrichte arbeid.
3.2
Het ongeval dat appellante is overkomen tijdens een UTV off-road trip als bedrijfsuitje, waar deelname door de appellante niet verplicht was, kan niet worden aangemerkt als een ongeval dat in verband staat met haar in dienstbetrekking verrichte arbeid. Deelname aan dit bedrijfsuitje is immers niet geschiedt in de uitoefening van haar werkzaamheden als F&B manager in een hotel. Dat zij zich verplicht voelde om aan dit uitje mee te doen, maakt dit niet anders.
3.3
Gelet hierop is het College van oordeel dat de bank terecht heeft geconcludeerd dat dit ongeval niet is aan te merken als bedrijfsongeval in de zin van de LOV, en op goede gronden heeft geweigerd aan appellante ongevallengeld toe te kennen.
4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.
3.DE BESLISSING
Het college:
verklaart het beroepschrift van appellante ongegrond.
Aldus gegeven op 10 februari 2022 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, H. Dirksz en E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.