Appellante verzocht op 7 januari 2020 om openbaarmaking van documenten bij verweerder. Na het uitblijven van een beschikking maakte appellante op 10 maart 2020 bezwaar. Verweerder nam op 24 januari 2021 een beslissing, waartegen appellante op 6 april 2021 bezwaar maakte. Omdat deze beslissing pas op 24 februari 2021 werd verzonden, werd het beroep van appellante ingesteld op 17 augustus 2021, na het verstrijken van de wettelijke termijn.
Het Gerecht oordeelde dat het bezwaar van 6 april 2021 als beroep moest worden aangemerkt om proceseconomische redenen. De beroepstermijn liep van 25 januari 2021 tot 7 maart 2021. Appellante ontving de beschikking op bezwaar op 24 februari 2021, binnen de termijn, maar diende het beroep pas later in, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding.
Daarnaast stelde appellante een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep. Het Gerecht stelde vast dat de behandeling ongeveer tweeënhalf jaar duurde, wat zes maanden langer was dan redelijk. Dit was volledig aan verweerder toe te rekenen, waardoor verweerder werd veroordeeld tot betaling van Afl. 500,- immateriële schadevergoeding.
Verder werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, begroot op Afl. 350,-, en werd het door appellante betaalde griffierecht van Afl. 25,- terugbetaald. Het vonnis werd uitgesproken door rechter M.E.B. de Haseth op 14 september 2022.