ECLI:NL:OGEAA:2022:318

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
15 juni 2022
Publicatiedatum
27 september 2022
Zaaknummer
AUA202100917
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ECLI:NL:OGHACMB:2020:84
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing boeterente van 5% in geldleningsovereenkomst wegens overschrijding maximumrente

Island Finance Aruba N.V. (IFA) vordert betaling van een openstaande lening van bijna 16.000 Arubaanse gulden, vermeerderd met wettelijke rente, een boeterente van 5% over niet tijdig betaalde termijnen en buitengerechtelijke incassokosten. De leningsovereenkomst van november 2013 omvatte een rente van 27,5% per jaar en maandelijkse aflossingen.

De gedaagde erkent de hoofdsom en wettelijke rente, maar betwist de boeterente van 5%, stellende dat deze onredelijk is en leidt tot overschrijding van het maximumrentepercentage dat het Gemeenschappelijk Hof in 2020 heeft vastgesteld. Het gerecht volgt deze redenering en wijst de boeterente af.

De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen omdat IFA aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten zijn gemaakt. De proceskosten worden aan de gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en wijst alle overige vorderingen af.

Uitkomst: De gevorderde boeterente van 5% wordt afgewezen wegens overschrijding van het maximumrentepercentage, terwijl de hoofdsom, wettelijke rente en incassokosten worden toegewezen.

Uitspraak

Vonnis van 15 juni 2022
Behorend bij A.R. nr. AUA202100917
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,
gevestigd in Aruba,
eiseres,
hierna ook te noemen: IFA,
gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,
tegen:
[naam gedaagde],
wonende te Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. A.F. Kuster.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 7 april 2021;
- de conclusie van antwoord, ingediend op 6 juli 2021;
- de conclusie van repliek met één productie, ingediend op 6 oktober 2021;
- de conclusie van dupliek, ingediend op 30 november 2021.
1.2
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Bij overeenkomst van geldlening van 18 november 2013 heeft [gedaagde] een bedrag van Afl. 14.998,59 geleend van IFA (hierna: de geldleningsovereenkomst), tegen een rente van 27,5 % per jaar gedurende de contractsperiode van vijf jaar. De lening inclusief deze rente diende te worden terugbetaald in 60 maandelijkse termijnen van Afl. 460,24.
2.2
In artikel 6 van Pro de overeenkomst is bepaald dat de schuldenaar, indien een vervallen termijn of een gedeelte daarvan niet wordt betaald binnen vijftien dagen na de vervaltermijn van die afzonderlijke termijn over die termijn dan wel over het niet betaalde deel daarvan een eenmalige boeterente van 5% verschuldigd zal zijn.
2.3
Op 9 januari 2018 heeft [gedaagde] een onderhandse akte ondertekend waarin hij heeft verklaard de openstaande achterstand in 36 maandelijkse termijnen van Afl. 351,76 terug te zullen betalen. In deze akte staat verder opgenomen dat de geldleningsovereenkomst ongewijzigd van toepassing blijft.
2.4 [
gedaagde] is op enig moment tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting tot betaling van de maandelijkse termijnen.
2.5
Bij brief van 26 januari 2021 heeft de gemachtigde van Island Finance [gedaagde] gesommeerd om de openstaande achterstand van Afl. 15.845,49 (te vermeerderen met boetes en kosten) binnen zeven dagen aan haar te betalen.

3.DE VORDERING EN DE BEOORDELING

3.1
IFA vordert dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
- [ gedaagde] veroordeelt om aan IFA tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van Afl. 15.845,49;
- te vermeerderen met de wettelijke rente per jaar vanaf 18 november 2018 tot de dag der voldoening, waarbij na iedere betaling na 18 november 2018 slechts nog rente verschuldigd is over de resterende hoofdsom;
- te vermeerderen met de overeengekomen boeterente van 5% over de niet betaalde termijn dan wel over het niet betaalde deel daarvan indien een vervallen termijn of een gedeelte daarvan niet wordt betaald binnen 15 dagen na de vervaldatum van die afzonderlijke termijn;
- te vermeerderen met de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten begroot op Afl. 1.500,-;
- met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die van het beslag daaronder begrepen.
3.2
Aan haar vordering legt Island Finance ten grondslag dat [gedaagde] niet alle overeengekomen aflossingstermijnen heeft voldaan, zodat de vordering thans in zijn geheel opeisbaar is. Bij de berekening van het verschuldigde is Island Finance op grond van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 21 april 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:84), uitgegaan van een rente van 27% in plaats van de overeengekomen rente van 27,25%.
3.3 [
gedaagde] erkent de vordering van IFA, met uitzondering van de boeterente van 5%. [gedaagde] stelt dat het onredelijk en onbillijk is dat hij die boete moet betalen, mede gelet op het feit dat IFA reeds de maximaal mogelijke rente zal ontvangen. Het gerecht zal de gevorderde boeterente afwijzen. Het gaat hier om een (boete) rente over niet of niet tijdig betaalde termijnen gedurende de looptijd van de geldleningsovereenkomst en leidt er in feite toe dat het door het Gemeenschappelijk Hof in zijn uitspraak van 21 april 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:84) bepaalde maximum wordt overschreden.
3.4
De verschuldigdheid van de wettelijke rente is door [gedaagde] niet weersproken en zal worden toegewezen als gevorderd.
3.5
De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten zal, nu IFA voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zulke kosten heeft gemaakt, worden toegewezen.
3.6
Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] de proceskosten van IFA moeten vergoeden. Niet gebleken is dat IFA beslagkosten heeft gemaakt.

4.DE UITSPRAAK

Het gerecht:
- veroordeelt [gedaagde] om aan IFA tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van Afl. 15.845,49, te vermeerderen met de wettelijke rente per jaar vanaf 18 november 2018 tot de dag der algehele voldoening, waarbij na iedere betaling na 18 november 2018 slechts nog rente is verschuldigd over de resterende hoofdsom;
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 1.500,-;
- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de kant van IFA tot op heden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 209,45 aan explootkosten en Afl. 1.000,- aan salaris van de gemachtigde;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 juni 2022 in aanwezigheid van de griffier.