ECLI:NL:OGEAA:2022:343
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.E.B. de Haseth
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging
Verzoeker, van Venezolaanse nationaliteit, vroeg op 24 oktober 2018 asiel aan in Aruba. De Minister van Arbeid, Energie en Integratie wees dit verzoek op 6 juli 2022 af, waarna verzoeker bezwaar maakte en een verzoek tot voorlopige voorziening indiende. Tijdens de zitting op 7 september 2022 verscheen verzoeker met zijn gemachtigde, maar verweerder was afwezig.
Het gerecht overwoog dat verweerder niet de relevante stukken, zoals gespreksverslagen van het asielinterview, had overgelegd, waardoor onvoldoende informatie beschikbaar was om de rechtmatigheid van de beschikking te beoordelen. Desondanks concludeerde het gerecht dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft in Venezuela, noch dat hij geen beschermings- of relocatiemogelijkheden heeft.
De bedreigingen door onbekenden werden niet als vervolging door de overheid aangemerkt. Verzoeker had aangifte gedaan bij lokale autoriteiten die onderzoek deden en bescherming boden. Ook was niet aannemelijk dat terugkeer zou leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en was er geen grond voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen gegronde vrees voor vervolging of onmenselijke behandeling is aangetoond.