ECLI:NL:OGEAA:2022:369

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
24 augustus 2022
Publicatiedatum
7 november 2022
Zaaknummer
AUA202002581
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling geldlening na niet-nakoming schuldbekentenis afgewezen voor incassokosten

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van een openstaande schuld uit hoofde van een geldleningsovereenkomst die is vastgelegd in een schuldbekentenis. Gedaagde had een woning gekocht en gefinancierd met een lening van eiseres, maar kwam de betalingsverplichtingen niet na. Na tussenkomst van de gemachtigde van eiseres tekende gedaagde een schuldbekentenis met een betalingsregeling.

Gedaagde stelde dat de schuldbekentenis onder dwaling tot stand was gekomen omdat zij in geldnood verkeerde en geen juridisch advies had kunnen inwinnen, en dat de incassokosten onredelijk waren. Het gerecht stelde vast dat er geen sprake was van dwaling of misbruik van omstandigheden, omdat eiseres niet verantwoordelijk was voor de vermeende onjuiste voorstelling van zaken en gedaagde achteraf spijt leek te hebben.

Eiseres had haar vordering verminderd vanwege tussentijdse aflossingen door gedaagde. Het gerecht veroordeelde gedaagde tot betaling van het resterende bedrag van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen omdat niet was gesteld of gebleken dat er daadwerkelijk redelijke kosten waren gemaakt na de schuldbekentenis.

Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het overige is afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van Afl. 4.583,45 vermeerderd met wettelijke rente, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

Vonnis van 24 augustus 2022
Behorend bij A.R. nr. AUA202002581
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[eiseres],
wonend te Aruba,
eiseres,
hierna: [eiseres],
gemachtigde: voorheen mr. C. Lejuez,
tegen:
[gedaagde],
wonend te Aruba,
gedaagde,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde: V.A.V. Carlo.

1.DE PROCEDURE

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- verzoekschrift met producties, ingediend op 19 oktober 2020;
- verweerschrift;
- conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis;
- conclusie van dupliek;
- akte uitlating producties.
1.2.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2.HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN

2.1.
Het gerecht gaat uit van de volgende feiten. In 2015 heeft [gedaagde] een woning gekocht van [eiseres]. Een deel van de koopprijs heeft [gedaagde] gefinancierd met een geldlening van [eiseres] van Afl. 10.000,--. [gedaagde] kwam de geldleningsovereenkomst niet behoorlijk na. Na interventie door de gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] op 19 februari 2020 een schuldbekentenis ondertekend van Afl. 8.452,56. Verder is overeengekomen dat [gedaagde] de schuld met Afl. 500,-- per maand zou aflossen bij gebreke waarvan de volledige openstaande schuld opeisbaar is en zijn buitengerechtelijke incassokosten overeengekomen.
2.2. [
eiseres] vordert -na vermindering van haar eis bij repliek en bij akte uitlating producties in verband met tussentijdse aflossingen door [gedaagde] gedurende de procedure- dat het gerecht [gedaagde] veroordeelt tot betaling van Afl. 4.783,45 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2020 en buitengerechtelijke incasso kosten van 15% van de nog openstaande schuld. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de in de schuldbekentenis opgenomen afspraak dat zij de schuld zou aflossen met Afl. 500,-- per maand niet is nagekomen en de schuld dus geheel opeisbaar is.
2.3. [
gedaagde] stelt dat de schuldbekentenis met de betalingsregeling tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en daarom vernietigbaar is. De onjuiste voorstelling van zaken zou, zoals het gerecht begrijpt, erin bestaan dat [gedaagde] ten tijde van het ondertekenen van de schuldbekentenis in geldnood was en geen tijd had om juridisch advies in te winnen over de gevolgen van de schuldbekentenis, in het bijzonder de verhoging van de hoofdsom met 15% incassokosten.
2.4. [
gedaagde] heeft niet gesteld en het is het gerecht ook niet gebleken dat die gestelde onjuiste voorstelling van zaken het gevolg is van inlichtingen van [eiseres] of dat [eiseres], in verband met hetgeen zij omtrent die onjuiste voorstelling van zaken bij [gedaagde] wist, haar had behoren in te lichten of dat [eiseres] van dezelfde onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan. Reeds op die grond faalt het beroep op dwaling. Voor zover het verweer van [gedaagde] moet worden begrepen als een beroep op misbruik van omstandigheden, faalt ook dat verweer. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres], hoewel zij wist of moest begrijpen dat [gedaagde] door een noodtoestand werd bewogen om de schuldbekentenis met de betalingsregeling te ondertekenen, de totstandkoming daarvan heeft bevorderd, terwijl zij wist of had moeten begrijpen dat zij [gedaagde] daarvan had moeten weerhouden. Het lijkt er eerder op dat [gedaagde] achteraf spijt heeft gekregen dat zij de schuldbekentenis en afbetalingsregeling heeft ondertekend, maar spijt komt na de zonde.
2.5. [
gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de vordering van [eiseres] lager is dan wordt opgevoerd, nu zij gedurende de procedure meerdere aflossingen heeft gedaan. [eiseres] heeft daarmee rekening gehouden bij de verminderingen van haar eis. Bij repliek verminderde zij de gevorderde hoofdsom tot Afl. 5.983,45 en bij akte uitlating producties heeft zij haar vordering verminderd met de tussentijdse aflossingen door [gedaagde] van Afl. 1.400,--.
2.6.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiseres] zal worden toegewezen tot een bedrag van Afl. 4.583,45 (Af. 5.983,45 minus Afl. 1.400,--). Tegen de gevorderde wettelijke rente heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. Die zal worden toegewezen, als gevorderd. Voor zover [gedaagde] tussentijds wederom aflossingen op de schuld heeft gedaan, strekken die vanzelfsprekend in mindering op de toe te wijzen hoofdsom.
2.7.
De gevorderde overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, nu niet gesteld en gebleken is dat na de totstandkoming van de schuldbekentenis en betalingsregeling daadwerkelijk en in redelijkheid kosten zijn gemaakt, waarvoor de proceskosten niet reeds een vergoeding plegen in te sluiten.
2.8.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] de proceskosten van [eiseres] moeten vergoeden.

3.DE BESLISSING

Het gerecht:
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van Afl. 4.583,45 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2020 tot de dag van betaling;
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de kant van [eiseres] tot op heden begroot op Afl. 50,-- aan griffierechten en Afl. 1.000,-- aan gemachtigdensalaris (2 punten, tarief 3);
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 augustus 2022 in aanwezigheid van de griffier.