Uitspraak
1.[Naam eiseres 1],
[Naam eiseres 2],
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
De zaak betreft een geldleningsovereenkomst tussen de (groot)ouders en gedaagde, waarbij gedaagde een bedrag van Afl. 122.551,25 schuldig erkende. Na overlijden van de (groot)ouders vorderen de erfgenamen betaling van dit bedrag met wettelijke rente. Tevens vorderen zij vergoeding wegens vermeende schending van hun legitieme porties door een schenking aan gedaagde via een vermeend te lage verkoopprijs van een woning.
Het Gerecht oordeelt dat de geldlening onbetwist is en veroordeelt gedaagde tot betaling van het bedrag met rente vanaf 7 januari 2022, omdat zij in verzuim is gesteld door een aanmaningsbrief. De vorderingen tot vergoeding wegens schending legitieme porties worden afgewezen omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat sprake is van een schenking; de waarde van de woning is niet concreet onderbouwd en de omstandigheden van de verkoop en lening wijzen niet op een schenking.
De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen deels in het ongelijk zijn gesteld. De veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis is gewezen door rechter Tijhuis en uitgesproken op 30 augustus 2023.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de geldlening met wettelijke rente vanaf 7 januari 2022; overige vorderingen worden afgewezen.