Appellant, van Venezolaanse nationaliteit, kwam in februari 2019 Aruba binnen als toerist en vroeg direct asiel aan. Zijn eerste asielaanvraag werd in november 2021 buiten behandeling gesteld en hij werd onmiddellijk vertrek uit Aruba aangezegd. Een tweede asielaanvraag in december 2021 werd in juni 2022 afgewezen, waarna de minister een uitzettingsbevel en een terugkeerverbod van 48 maanden oplegde. Appellant maakte bezwaar tegen dit bevel, dat bij beslissing op bezwaar in januari 2023 werd gehandhaafd met een verkorte niet-toelatingsperiode van 36 maanden.
Appellant stelde dat hij rechtmatig verblijf had omdat zijn asielaanvraag nog in behandeling was en de schorsing van de afwijzing door het gerecht dit bevestigde. Het Gerecht oordeelde dat appellant nooit een verblijfstitel had en dat de asielaanvraag geen rechtmatig verblijf gaf. De schorsing van de afwijzing had geen invloed op zijn illegale status, temeer daar appellant zijn asielaanvraag in september 2022 introk.
Het beroep werd ongegrond verklaard omdat het uitzettingsbevel terecht was gehandhaafd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie binnen zes weken na dagtekening.