Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE VASTAANDE FEITEN
Verklaring Werknemer:
3.HET GESCHIL
;
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Verzoekster trad op 1 januari 2017 in dienst bij verweerder tegen een bruto maandloon van Afl. 1.815,35. Op 21 juni 2022 stopte haar werkzaamheden nadat het contract van verweerder met de Dienst Openbare Werken niet werd verlengd. Verzoekster werd op staande voet ontslagen wegens gebrek aan werk, wat volgens het Gerecht geen dringende reden vormt.
Het Gerecht oordeelde dat het ontslag onregelmatig was en dat verzoekster recht heeft op een wettelijke schadeloosstelling van twee maanden loon wegens niet in acht genomen opzegtermijn. Het verjaringsverweer van verweerder werd verworpen omdat niet vaststond wanneer de verjaringstermijn begon.
Verzoekster stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was, maar faalde omdat zij geen bijzondere omstandigheden aannam die dat zouden onderbouwen. Verzoekster heeft recht op cessantia-uitkering van vijf maal het weekloon, ondanks de financiële situatie van verweerder.
De loonvordering van verzoekster werd afgewezen omdat zij in het ontslag heeft berust, waardoor de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. De wettelijke rente over de cessantia-uitkering en schadeloosstelling werd toegewezen vanaf de datum van het verzoekschrift. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het Gerecht oordeelt dat het ontslag onregelmatig was, wijst cessantia-uitkering en wettelijke schadeloosstelling toe, en wijst loonvordering af wegens berusting in ontslag.