Artikel 54 Landsverordening administratieve rechtspraakArtikel 9.1.h Landsverordening Toelating en UitzettingArtikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij weigering tijdelijke verblijfvergunning partnerrelatie
Verzoeker, een Venezolaanse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een tijdelijke verblijfvergunning om bij zijn partner te verblijven. De minister van Arbeid, Energie en Integratie wees de aanvraag af omdat verzoeker niet voldeed aan de eis van een duurzame relatie van minimaal drie jaar, zoals voorgeschreven in het toelatingsbeleid.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg het gerecht om een voorlopige voorziening, stellende dat de afwijzing een onevenredig nadeel oplevert en in strijd is met artikel 8 EVRMPro. Hij betoogde dat het beleid discriminatoir is en dat zijn relatie met zijn partner onterecht niet als duurzaam werd erkend.
Het gerecht oordeelde dat verzoeker onvoldoende feiten had aangevoerd om te concluderen dat sprake was van een onevenredig nadeel. De reeds gesloten samenlevingsovereenkomst vormde een vorm van formalisering van de relatie, en zonder nadere motivering kon niet worden aangenomen dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap werd belemmerd door de afwijzing.
Daarom werd het verzoek tot schorsing van de beschikking afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de afwijzing van de tijdelijke verblijfvergunning wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van onevenredig nadeel.
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoeker],
domicilie kiezend in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: drs. M.L. Hassell,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN ARBEID, ENERGIE EN INTEGRATIE,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: de advocaat mr. V. Perše.
DE PROCEDURE
Op 7 mei 2024 heeft verweerder een aanvraag van verzoeker ter verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel verblijf bij partner, afgewezen (de bestreden beschikking).
Hiertegen heeft verzoeker op 8 mei 2024 bezwaar gemaakt, door indiening van een bezwaarschrift bij verweerder.
Op 16 mei 2024 heeft verzoeker een verzoekschrift als bedoeld in artikel 54 vanPro de Lar ingediend.
Verweerder heeft op 3 juli 2024 een nadere stuk ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 juli 2024. Verzoeker is verschenen bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
de relevante feiten
1.1
Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1985 in Venezuela en heeft de Venezolaanse nationaliteit.
1.2
Bij de bestreden beschikking heeft verweerder de aanvraag van verzoeker strekkende tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf afgewezen. In die beschikking staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…)
Beslissing: de aanvraag is afgewezen.
Naar aanleiding van uw aanvraag met CRV#1126002, ingediend op 20-12-2023, wordt uw verzoek afgewezen. Uit controle van de door u verstrekte gegevens is gebleken dat u niet voldoet aan de gestelde toelatingseisen voor deze verblijfstitel. Bovendien blijkt uit controle dat vereiste documenten ontbreken. Conform het huidige Toelatingshandboek, wordt onder punt 1.1.1.4 sub c vermeld dat beide partners uitsluitend met elkaar een duurzame relatie hebben. Een langdurige relatie wordt gekenmerkt als een relatie van minimaal drie (3) jaar. Volgens de overgelegde samenlevingsovereenkomst hebben betrokken partijen een relatie sinds 18-10-2022 en sinds december 2022 samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren. (…). Op basis van de bovengenoemde punten is uw verzoek afgewezen. Conform Artikel 9.1.h van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (LTU) wordt een vergunning tot tijdelijk verblijf geweigerd indien de vergunninghouder niet voldoet aan een of meer van de aan zijn vergunning verbonden beperkingen of voorschriften, of anderszins in strijd handelt met de wetten die hierop van toepassing zijn.
(…)”.
1.3
Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt bij verweerder en bij dit gerecht om een voorlopige voorziening verzocht.
het verzoek
2.1
Het verzoek sterkt ertoe dat de bestreden beschikking wordt geschorst en dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit van een geldige verblijfsvergunning. Volgens verzoeker lijdt hij onevenredig nadeel als gevolg van de bestreden beschikking, omdat de afwijzing van zijn vergunningsaanvraag tot gevolg heeft dat hij zijn relatie met zijn partner niet kan formaliseren. Dit levert een ongeoorloofde inmenging op in zijn recht op family lifeen dus strijdigheid met artikel 8 EVRMPro. Het beleid van verweerder dat sprake moet zijn van een duurzame relatie van minimaal drie jaar om een vergunning te kunnen krijgen met als doel verblijf bij partner is discriminatoir en in strijd met het EVRM en moet daarom onverbindend worden verklaard.
het verweer
2.2
Verweerder heeft aangevoerd – kort gezegd – dat in dit geval geen sprake is van onevenredig nadeel in de zin van artikel 54 vanPro de Lar. Bovendien heeft verzoeker niet aangetoond dat hij een duurzame relatie heeft van minimaal drie jaar met zijn partner. Hij voldoet dus niet aan de vereisten voor de verkrijging van een verblijfvergunning met als doel verblijf bij partner. Verweerder concludeert daarom tot afwijzing van het verzoek.
De beoordeling
3. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.
Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.
4. In geschil is allereerst de vraag of in dit geval sprake is van onevenredig nadeel dat tot het treffen van voorlopige voorzieningen noopt.
5. Het gerecht is van oordeel dat verzoeker geen feiten en/of omstandigheden heeft aangedragen op basis waarvan moet worden geoordeeld dat sprake is van onevenredig nadeel in de zin van artikel 54 vanPro de Lar. Verzoeker heeft reeds zijn relatie met zijn partner geformaliseerd middels een samenlevingsovereenkomst. Voor zover verzoeker met ‘het formaliseren van zijn relatie’ heeft bedoeld met zijn partner trouwen of een geregistreerd partnerschap met haar aangaan, valt (zonder een nadere motivering die niet is gegeven) niet in te zien op welke wijze een huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap tussen verzoeker en zijn partner door de afwijzing van de vergunningsaanvraag wordt belemmerd.
6. Het voorgaande leidt dat de slotsom dat het verzoek niet toewijsbaar is.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.
BESLISSING
Het gerecht:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.