ECLI:NL:OGEAA:2024:19

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
14 februari 2024
Publicatiedatum
15 februari 2024
Zaaknummer
AUA202300226
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:92 lid 2 BW Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing geldlening met rente en boeterente aan Island Finance Aruba

Op 30 april 2021 sloten partijen een overeenkomst van verbruikleen waarbij Island Finance Aruba (IFA) een bedrag van Afl. 24.090,36 aan gedaagde verstrekte. De terugbetaling zou plaatsvinden in 66 maandelijkse termijnen met een rentepercentage van 19,88% per jaar. Na het uitblijven van betaling sommeerde IFA gedaagde meerdere malen, waarna conservatoir beslag werd gelegd.

IFA vorderde betaling van de hoofdsom vermeerderd met contractuele rente, boeterente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde erkende de vordering mondeling. De rechtbank oordeelde dat de hoofdsom met rente en boeterente toewijsbaar zijn, evenals de incassokosten. De wettelijke rente werd afgewezen omdat de contractuele boete in de plaats treedt van wettelijke schadevergoeding.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van het gevorderde bedrag, de incassokosten en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, contractuele rente, boeterente, incassokosten en proceskosten aan Island Finance Aruba.

Uitspraak

Vonnis van 14 februari 2024.
Behorend bij AUA202300226 AR.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschapISLAND FINANCE ARUBA N.V.,
gevestigd te Aruba,
eiseres, hierna te noemen: IFA,
gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,
tegen:
[Naam gedaagde],
wonende te Aruba,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],
procederende in persoon,

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties;
- het mondeling antwoord van [gedaagde] waarbij de vordering is erkend.
1.2
Hierna is vonnis bepaald.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Op 30 april 2021 hebben partijen een overeenkomst van verbruikleen (hierna: de overeenkomst) gesloten waarbij IFA een bedrag van Afl. 24.090,36 aan [gedaagde] heeft geleend. [gedaagde] diende dit bedrag vermeerderd met de overeengekomen rente van 19,88% en kosten, in totaal Afl. 38.357,88 in 66 maandelijkse termijnen van Afl. 581,18 terug te betalen, te beginnen op 31 mei 2021 en de laatste termijn op 31 oktober 2026.
2.2
Bij aangetekende brief van 21 november 2022 heeft de gemachtigde van IFA [gedaagde] aangemaand om een bedrag van Afl. 24.680,85 vermeerderd met rente en kosten binnen zeven dagen te voldoen.
2.3
Op 13 januari 2023 heeft IFA met rechterlijk verlof ten laste van [gedaagde] conservatoir derden beslag gelegd onder Geveltechniek Mexim Aruba N.V.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1
IFA vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar te betalen een bedrag van Afl. 24.680,85, vermeerderd met de overeengekomen rente van 19.88% per jaar vanaf 30 april 2022, waarbij na iedere betaling na 30 april 2022 slechts nog rente verschuldigd is over de resterende hoofdsom en tot een maximum van Afl. 11.361,52 en na het bereiken van dit maximum te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van de algehele voldoening, vermeerderd met de overeengekomen boeterente van 5% over de niet betaalde termijn dan wel over het niet betaalde deel daarvan indien een vervallen termijn of gedeelte daarvan niet wordt betaald binnen 15 dagen na de vervaldatum van die afzonderlijke termijn van
Afl. 1.234,04, vermeerderd met de overeengekomen en gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, waaronder de kosten van het beslag.
3.2
IFA legt aan haar vordering ten grondslag dat, ondanks aanmaning, geen betaling te verkrijgen is van het door [gedaagde] aan IFA verschuldigde.
3.3 [
gedaagde] heeft bij mondeling antwoord de vordering erkend.

4.DE BEOORDELING

4.1 [
gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom met (boete)rente erkend, zodat dit deel van de vordering toewijsbaar is, nu voldoende is gebleken dat [gedaagde] de gevorderde bedragen verschuldigd is aan IFA.
4.2
De wettelijke rente is niet toewijsbaar, aangezien gelet op het bepaalde in artikel 6:92 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek van Aruba, de contractuele boete in de plaats treedt van de wettelijke schadevergoeding.
4.3
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn eveneens toewijsbaar, aangezien IFA voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze kosten heeft gemaakt.
4.4 [
gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, waaronder de beslagkosten, veroordeeld waarbij inbegrepen het salaris in verband met het gelegde beslag (2 punten volgens het toepasselijke tarief 4).

5.DE UITSPRAAK

Het gerecht:
veroordeelt [gedaagde] om aan IFA tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van Afl. 24.680,85, vermeerderd met de overeengekomen rente van 19.88% per jaar vanaf 30 april 2022, waarbij na iedere betaling na 30 april 2022 slechts nog rente verschuldigd is over de resterende hoofdsom tot een maximum van Afl. 11.361,52, vermeerderd met de overeengekomen boeterente van 5% over de niet betaalde termijn dan wel over het niet betaalde deel daarvan indien een vervallen termijn of een gedeelte daarvan niet wordt betaald binnen 15 dagen na de vervaldatum van die afzonderlijke termijn van Afl. 1.234,04;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 1.500,-;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van de uitspraak aan de kant van IFA worden begroot op Afl. 750,-- aan griffierecht, Afl. 917,14 aan explootkosten en Afl. 2.000,-- aan salaris van de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 februari 2024 in aanwezigheid van de griffier.