Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Naam appellante],
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
PROCESVERLOOP
.
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Appellante, geboren in de Dominicaanse Republiek en gehuwd geweest met een in Aruba geboren Nederlander, heeft op 28 maart 2019 een optieverklaring afgelegd voor het Nederlanderschap. Verweerder weigerde op 18 juni 2020 de bevestiging van deze verklaring omdat appellante niet onafgebroken gedurende vijftien jaar toelating in Aruba had. Dit vanwege een verblijfsgat vanaf 16 juli 2019, veroorzaakt doordat zij niet meer samenwoonde met haar echtgenoot en daardoor niet voldeed aan de vereiste voor toelating van rechtswege.
Appellante stelde dat zij wel voldeed aan de voorwaarden en dat het verblijfsgat onterecht werd vastgesteld, mede omdat haar ex-echtgenoot vanwege verslavingsproblemen op een ander adres was gaan wonen. Het gerecht oordeelde dat het verblijfsgat terecht was vastgesteld en dat verweerder verplicht was de bevestiging te weigeren op grond van artikel 6, eerste lid, onder g, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Het beroep is ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter W.C.E. Winfield op 24 januari 2024. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de weigering van de bevestiging van de optieverklaring Nederlanderschap is ongegrond verklaard.