ECLI:NL:OGEAA:2024:94

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
10 april 2024
Publicatiedatum
1 juni 2024
Zaaknummer
AUA202303229
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 53 Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar)Artikel 51 Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot oplegging dwangsom wegens niet-naleving rechterlijke uitspraak

Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 53 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) om de minister van Arbeid, Energie en Integratie te verplichten een dwangsom op te leggen zodat deze minister alsnog gevolg geeft aan een eerdere uitspraak van dit gerecht van 22 februari 2023.

De eerdere uitspraak had betrekking op een beslissing van de minister van Justitie en Sociale Zaken, die in dat geding als verweerder optrad. Verzoekster stelt dat de beslissing op haar verzoek om opheffing van een periode van niet-toelating onrechtmatig is genomen door een onbevoegde minister en wil dat de bevoegde minister alsnog uitvoering geeft aan die uitspraak.

Het gerecht oordeelt dat alleen het bestuursorgaan dat partij was in het oorspronkelijke geding kan worden verplicht om aan de uitspraak te voldoen. Nu de minister van Arbeid, Energie en Integratie niet partij was in dat geding, kan deze niet worden verplicht tot naleving. Bovendien heeft het betrokken bestuursorgaan inmiddels een beslissing genomen waarmee aan de uitspraak is voldaan. Daarom wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard en wordt het verzoek afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot oplegging van een dwangsom en het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

Uitspraak van 10 april 2024
Lar nr. AUA202303229

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 53 van Pro de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoekster],

domicilie kiezend in Aruba,
VERZOEKSTER,
gemachtigde: mr. J.J.C. Odor,
gericht tegen:

DE MINISTER VAN ARBEID, ENERGIE EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mr. J.J. Poeran (DWJZ) en mr. L.J. Pieters.

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van dit gerecht van 22 februari 2023 (LAR AUA202302551) is onder meer de bestreden fictieve (afwijzende) beslissing op het bezwaar van verzoekster gericht tegen de afwijzing van haar verzoek om opheffing van de haar opgelegde periode van niet toelating, vernietigd en is bepaald dat de minister van Justitie en Sociale Zaken, verweerder in dat geding, binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op dat bezwaar.
Op 5 juli 2023 heeft de minister van Justitie en Sociale Zaken het bezwaar van verzoekster van 31 maart 2022 ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van dit gerecht van 13 september 2023 (LAR AUA202301871) is het verzoek ex artikel 53 Lar Pro van verzoekster, strekkende tot het verplichten van de minister van Justitie en Sociale Zaken om alsnog gevolg te geven aan voornoemde uitspraak, afgewezen, omdat die minister reeds een beslissing op bezwaar heeft genomen.
Op 15 september 2023 heeft verzoekster onderhavig verzoek op grond van artikel 53 van Pro de Lar ingediend.
Op 2 november 2023 en 3 november 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 januari 2024, alwaar verzoekster bij haar gemachtigde voornoemd is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1
Onderhavig verzoek van verzoekster is gegrond op artikel 53 van Pro de Lar en strekt ertoe verweerder door middel van het opleggen van een dwangsom te verplichten gevolg te geven aan de uitspraak van 22 februari 2023. Ter onderbouwing van zijn verzoek, heeft verzoekster -samengevat- aangevoerd, dat de beslissing op het verzoek om opheffing van de periode van niet-toelating is genomen door de onbevoegde minister van Justitie en Sociale Zaken en dat zij er belang bij heeft dat de bevoegde minister, in dit geval verweerder, gevolg geeft aan die uitspraak.
1.2
Verweerder heeft zich -samengevat- op het standpunt gesteld dat hij niet kan worden verplicht te voldoen aan een rechterlijke uitspraak in een geding waarbij hij geen partij was. Verweerder heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van verzoekster, dan wel tot afwijzing van onderhavig verzoek, met veroordeling van verzoekster in de kosten van dit geding.
2. Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Lar kan, indien het bestuursorgaan niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet aan artikel 51, de wederpartij bij het gerecht een verzoek indienen tot toekenning van een vergoeding ten laste van het Land dan wel een verzoek om het bestuursorgaan te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak. Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan bij de beslissing op dit verzoek worden bepaald dat het bestuursorgaan aan de wederpartij een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft aan de beslissing te voldoen.
3. In dit geval staat vast, dat de uitspraak van dit gerecht van 22 februari 2023 (LAR AUA202302551), is gegeven in het geding tussen verzoekster en de minister van Justitie en Sociale Zaken. Ingevolge artikel 53 van Pro de Lar, kan slechts het bij een geding betrokken bestuursorgaan worden verplicht om al dan niet onder verbeurte van een dwangsom, alsnog gevolg te geven aan de rechterlijke uitspraak. Nu verweerder niet bij het geding dat heeft geleid tot de uitspraak van 22 februari 2023 was betrokken, kan hij niet worden verplicht alsnog gevolg te geven aan die uitspraak.
4. Nu het betrokken bestuursorgaan reeds heeft beslist en daarmee heeft voldaan aan voormelde rechterlijke uitspraak, bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 53 van Pro de Lar.
5. Verzoeker is dan ook niet-ontvankelijk in onderhavig verzoek.
6. Voor een proceskostenveroordeling in deze bestaat geen grond.

DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.